nieuws

Beschermd stadsgezicht onder de loep

bouwbreed

Voor bouwactiviteiten binnen een beschermd stadsgezicht gelden andere regels dan voor normale bouw- of verbouwplannen. In deze bijdrage legt Natasja van Gilst uit wat het inhoudt als een gebied is aangewezen als ‘beschermd stadsgezicht’ en dit wordt geïllustreerd aan de hand van een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State.

Een beschermd stadsgezicht is een gebied met een bijzonder historisch karakter. De Monumentenwet 1988 omschrijft beschermde stadsgezichten als ‘groepen onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde’ (artikel 1 sub f).
Het doel van een beschermd stadsgezicht is de historische karakteristieken van een gebied te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in de toekomstige ontwikkelingen.
In Nederland zijn er ongeveer 350 van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn bevoegd om gezamenlijk beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen.

Bestemmingsplan

Nadat een gebied is aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht moet volgens artikel 36 Monumentenwet 1988 een bestemmingsplan worden opgesteld dat strekt tot bescherming van dat gebied. Voor alle bouwactiviteiten in het gebied moet dan vergunning worden aangevraagd.
Op basis van toetsing aan het bestemmingsplan kunnen burgemeester en wethouders het verrichten van deze bouwactiviteiten al dan niet toestaan. Op die wijze kunnen zij de karakteristieke waarden van zo’n gebied waarborgen.
Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden dus licht bouwvergunningsplichtig. Maar als iets al licht bouwvergunningsplichtig is, dan blijft dat ook zo (er ontstaat nooit automatisch een reguliere bouwvergunningsplicht). Er is een uitzondering: sinds 1 april 2007 is het toegestaan om normaal onderhoud aan monumenten en in beschermde stads en dorpsgezichten zonder bouwvergunning uit te (laten) voeren. Hiervoor hoeft dus geen bouwvergunning te worden aangevraagd.

Voorbereidingsbesluit

Maar wat gebeurt er als er nog geen beschermend bestemmingsplan geldt op het moment dat een bouwaanvraag wordt ingediend? Op grond van artikel 51 van de Woningwet wordt de beslissing over een bouwvergunningsaanvraag dan aangehouden. De bedoeling hiervan is het zogenaamde ‘bevriezen’ en/of beschermen van de bestaande situatie in het beschermde stads- en dorpsgezicht totdat een nieuw bestemmingsplan van kracht is geworden of een voorbereidingsbesluit is genomen. Omdat de totstandkoming van een bestemmingsplan enige jaren in beslag kan nemen, zou dit betekenen dat lange tijd in het geheel geen bouwvergunningen mogen worden afgegeven. Daarom biedt artikel 51 lid 3 van de Woningwet de gemeente de mogelijkheid de ‘bevriezingsverplichting’ op te heffen en vervolgens een bouwvergunning te verlenen. Maar: doorbreking van de aanhoudingsplicht is alleen mogelijk voor zover het bestemmingsplan past in het in voorbereiding zijnde beschermende bestemmingsplan en er door gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar is afgegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen de verlening van de bouwvergunning.
Als iemand bouwactiviteiten wil uitvoeren in een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht krijgt hij hier zeker mee te maken.

Weigering

Recent kwam bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, (ABRvS 12 september 2007, zaaknummer 200609083/1) zo’n geval aan de orde. Het college van B en W van Den Bosch heeft de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van een balkon op de eerste en op de tweede verdieping aan de achterzijde van een pand, gelegen in beschermd stadsgezicht, geweigerd. De aanvrager van de bouwvergunning stelt dat de bescherming van het stadsgezicht alleen de voorkant van het pand beslaat.
Het college van B en W heeft aan de weigering een intern advies ten grondslag gelegd. Volgens dit advies past het plaatsen van een balkon op de tweede verdieping van het pand niet bij het traditionele huistype, zoals het pand van de aanvrager, dat veelal in de binnenstad voorkomt.
Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna de Afdeling) omvat dit interne advies een nadere motivering van het door het college van B en W ingenomen standpunt dat het balkon waarvoor vergunning is gevraagd stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is.
Het college van B en W hoefde niet voorafgaand aan de weigering de aanvrager afzonderlijk in de gelegenheid te stellen om daarop te reageren. Volgens de Afdeling heeft het college van B en W in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan behoud van de stedenbouwkundige structuur van de binnenstad, beschreven in het advies, dan aan het belang van de aanvrager bij een balkon op de tweede verdieping. Uit het interne advies blijkt ook niet dat de bescherming van die structuur beperkt blijft tot voorgevels, maar juist ook dat die zich ook uitstrekt tot de achtergevels van middeleeuwse huistypen.
Ook het feit dat de achtergevel van het pand niet vanaf de openbare weg zichtbaar is, brengt niet mee dat het college van B en W niet aan het behoud van de bouwstijl van dat type heeft mogen vasthouden.

Horecadoeleinden

De aanvrager heeft ook nog betoogd dat het balkon waarvoor vergunning is gevraagd, niet op één lijn kan worden gesteld met een zogeheten Frans balkon of een loggia. Maar de Afdeling is het hier ook niet mee eens, in tegenstelling tot een Frans balkon of een loggia vergroten de in het geding zijnde balkons het bouwvolume van de achtergevel.
Tot slot gaat de Afdeling nog in op de stelling dat het voor de vraag of het bouwplan de stedenbouwkundige waarden aantast van belang is dat het pand niet alleen in gebruik is voor woondoeleinden maar op de begane grond ook voor horecadoeleinden. Ook hier gaat de Afdeling niet in mee. Het hoger beroep van de aanvrager is ongegrond.
Kortom: voor bouwactiviteiten binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht gelden strengere regels dan voor normale bouw- of verbouwplannen. Het is van belang voordat een bouwvergunning wordt aangevraagd te informeren bij de gemeente met welke wet- en regelgeving men te maken gaat krijgen. De regelgeving omtrent een beschermd stadsgezicht kan één van de zaken zijn waar de aanvrager van een bouwvergunning mee te maken krijgt. Uit de besproken uitspraak blijkt dat ook de Afdeling streng toetst als het belang van het beschermd stadsgezicht in het geding is.
Mr. Natasja van Gilst
Stafmedewerker/redacteur Instituut voor Bouwrecht(IBR), Den Haag
nvangilst@ibr.nl
Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR: www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels