nieuws

Past visie ‘Generic City’ wel in onze Hollandse polder?

bouwbreed

Rem Koolhaas’ Generic City is in theorie een identiteitsloze non-stad zonder geschiedenis. The generic city is de titel van een invloedrijk essay van Rem Koolhaas uit 1995. Hoe voelt dat in de praktijk van zijn Almere centrum vraagt Jan den Boer zich af.

Ruim 20 jaar geleden liftte ik van Los Angeles naar Phoenix, Arizona, USA. Toen ik samen met mijn broer met onze rugzakken uitstapte uit de airconditioned auto, stonden we verdwaasd in de hitte van boven de 40 graden op het asfalt. Er was niemand buiten, en daar konden we ons bij deze temperatuur iets bij voorstellen. Er was geen openbaar vervoer, en eigenlijk ook geen echte openbare ruimte voor een voetganger.
De bewoners van Phoenix leven in airconditioned gebouwen en verplaatsen zich met airconditioned auto’s of vliegtuigen. Phoenix is de snelstgroeiende generic city van de Verenigde Staten. De stad kent een structuur en opbouw die op geen enkele wijze lijkt op onze traditionele noordwest Europese stad.

Wenselijk

Voor mij als lifter in Phoenix is het mechanisme van insluiting en uitsluiting toen heel voelbaar geweest. Voor mij gold de uitsluiting, en de ontzetting van een stad waarin ik mij als niet automobilist bijna onmogelijk kon verplaatsen.
The Generic City beschrijft een stedelijkheid die zich behalve in sommige Amerikaanse steden verder vooral aan het vormen is in het Verre Oosten. Als fietser in Kuala Lumpur heb ik dezelfde ontzetting ervaren als als voetganger in Phoenix.
De grote vraag is of deze stedelijkheid ook wenselijk is in Nederland. Almere heeft als stad de unieke kans om in de praktijk te mogen ontdekken hoe Koolhaas’ stad voelt. Het nieuwe centrum is gebaseerd op zijn stedenbouwkundige inzichten. Het is een paradoxale poging Almere een eigen identiteit te geven, want eigenlijk doet Koolhaas helemaal niet aan identiteit. Almere heeft wel iets nodig. Volgens de Atlas voor Gemeenten 2007, waarin de verbetering of verslechtering van grote gemeenten over de afgelopen 10 jaar wordt gemeten, bungelt Almere onderaan.
Oorspronkelijk verhuisden mensen naar Almere omdat er veel rust en ruimte was, maar intussen is het zo hard gegroeid dat ook hier de typisch grootstedelijke problemen gaan spelen. En vervolgens wordt dus gekozen voor een centrum dat die grootstedelijkheid nog eens uitvergroot. Een centrum dat volgens Koolhaas´ principes geen geschiedenis heeft, geen identiteit en geen openbare ruimte.
René Boomkens beschrijft in zijn essay “Van de grootstad ging een onbestemde dreiging uit” dat de generic city niet een wat Koolhaas noemt “over-demanding public realm” heeft, maar alleen rest ruimte. In deze identiteitsloze non-stad is de architectuur postmodern. Wat dat betekent kun je zien in Almere, waar bekende architecten elk hun eigen kunst stukje mogen uitvoeren, en waar duidelijk te zien is wat Boomkens beschrijft, namelijk dat Koolhaas een hartgrondige hekel heeft aan alles wat naar de geschiedenis ruikt. Het probleem met een dergelijke stad is volgens Boomkens dat vanuit de “zintuiglijkheid van de geprivilegieerde vliegtuigreiziger enig uitzicht ontbreekt op het enige cruciale vraagstuk van de moderne stedelijkheid of poststedelijkheid: bewoonbaarheid van de stad.” Boomkens stelt dat Koolhaas elke politieke verantwoordelijkheid ten aanzien van de stad van de hand wijst: cynisme, arrogantie en quasi realisme zijn zo ver doorgedrongen in de discussie van de stad.
Leeft deze discussie overigens wel echt? Ries van der Wouden, hoofdredacteur van Stedebouw & Ruimtelijke Ordening stelt in het redactioneel commentaar van het juni nummer van 2006 de vraag of het debat over deze belangrijke kwestie wel gevoerd wordt. Hij stelt dat Koolhaas met zijn generic city de bijl aan de wortel van de huidige stedebouw legt: “De generic city is immers in essentie een private stad, zonder geschiedenis en in permanente flux.
De Urbanisatie gaat in de globaliserende wereld zo snel, dat je maar beter kunt meedrijven dan tegenspartelend te verdrinken. Vrijwel alle belangrijke kenmerken van de Europese stedenbouw worden zo van tafel geveegd: de verhouding tussen publiek en privaat, de inpassing in de stedelijke context, de concentratie op de lange tijdslijn.” Of het debat in het stadhuis van Almere hierover gevoerd is weet ik niet, maar sommige oordelen zijn wel duidelijk: de architect George Katodrytis schrijft op www.eutopia.nl als volgt over de generic city: “De stad is nu definitief geen plek meer, maar eerder een toestand. Misschien heeft de stad zelfs geen locatie meer; het lijkt of hij overal en nergens is. Hij neemt steeds meer ruimte in, maar het is betekenisloze ruimte, omdat niemand zich ermee verbonden voelt. Vroeger was het ‘opwindend’ om je binnen een stad te verplaatsen, maar die opwinding is weggedrukt door banaliteit en een gevoel van vermoeidheid. Er valt niets meer te ontdekken, niets dan immense en non-descripte plekken.”
Vorig jaar zomer was ik tijdens een mooie zaterdagmiddag in het nieuwe centrum van Almere. Op het futuristische plein was bijna geen wandelaar te bekennen, en de gesloten doos van het popcentrum en het lege hotel stonden verlaten in de restruimte. Geen ruimte waar ik mij als voetganger prettig gevoel. Het winkelcentrum zelf heeft wel een duidelijke openbare ruimte. De praktijk van Almere is dus zeker niet zo identiteitsloos als de theorie van Koolhaas.
Het is dan ook de vraag of Almere nu wel die echte generic city geworden is, of of het in al zijn bijzonderheid uiteindelijk toch gewoon een identiteit en geschiedenis aan Almere gaat geven. Het blijft fascinerend hoe de toekomst over dit centrum zal oordelen.
Jan den Boer is zelfstandig publicist.
Verder is hij als stedenbouwkundig projectmanager werkzaam bij de gemeente Utrecht
weijboer@wxs.nl

Vooruitstrevend

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels