nieuws

Gevoelige discussie over ruimte vraagt om zorgvuldigheid

bouwbreed

Zorgen voor voldoende en kwalitatief goede bedrijventerreinen in een overvolle provincie is geen sinecure. Bij tijd en wijle kom je daarbij onder vuur te liggen. In Cobouw verscheen 26 januari 2007 (nummer 18) onder de kop ‘Gros nieuwe terreinen gevuld met bestaande bedrijven uit regio’ een brief van algemeen directeur Mirjam de Rijk van de Stichting Natuur en Milieu en directeur Ellen Verkoelen van de Milieufederatie Zuid-Holland. Het was een vervolg in de discussie die ontstond na hun kritiek, dat in Zuid-Holland acht keer teveel bedrijventerreinen zouden zijn gepland. De brief is volgens Asje van Dijk absoluut een nuancering van dit eerdere standpunt, maar zorgt nog wel voor misverstanden.

@ De brief heeft 2.045 hectare gepland bedrijventerrein als uitgangspunt, de raming waar ik als gedeputeerde ruimtelijke en economische ontwikkeling ook mee reken, in plaats van de 9.000 hectare waarmee Stichting Natuur en Milieu en de Milieufederatie eerder de publiciteit zochten op basis van een eigen rapport, dat onlangs openbaar is gemaakt.
Het nieuwe uitgangspunt lijkt me al een betere basis voor een reëel debat. De schrijvers spreken verder in hun brief waardering uit voor het stimuleren van herstructurering en de resultaten die daarmee zijn gehaald. Dank daarvoor. Bijna 700 hectare is de afgelopen vier jaar dankzij de inspanningen van lokaal en provinciaal bestuur in Zuid-Holland in herstructurering genomen.
Cijfers en feiten zijn op zich niet moeilijk, maar correcte interpretaties en gevolgtrekkingen vaak wel. Zeker wanneer er fluctuerende realiteiten en veranderende plannen in het spel zijn. De discussie over het gewenste aantal bedrijventerreinen is, los van die over de locatie en de inpassing, één die met regelmaat de kop opsteekt. De paniek moet eruit; we moeten toe naar een kritische, maar nuchtere discussie. In de brief van Verkoelen en De Rijk staan enkele aspecten, die voor nieuwe misverstanden kunnen zorgen. Om te beginnen met de kop: “Gros nieuwe terreinen gevuld met bestaande bedrijven uit regio.”
Inderdaadvertrekken bestaande bedrijven vaak naar een nieuw terrein omdat ze bijvoorbeeld willen uitbreiden. Bedenk wel:
als er geen nieuw terrein in de regio zou zijn, zouden deze bedrijven naar een andere regio vertrekken, met negatieve consequenties voor de werkgelegenheid. Daarbij ontstaat op de bestaande terreinen die worden gehandhaafd door vertrekkende bedrijven weer ruimte voor startende bedrijven.
Er is al genoeg ruimte voor bedrijven, zo stellen de schrijvers van de brief, zeker tot 2015 en daarna neemt de vraag af. Maar bij het bepalen van het aanbod gaat het niet alleen om de verwachte vraag, maar ook om het opvangen van ruimte die elders verdwijnt door transformatie, oftewel: doordat terreinen van bestemming veranderen. Er zijn bedrijventerreinen die een woonfunctie krijgen, zoals de Stadswerven in Dordrecht en het Fokker/Verolmeterrein Papendrecht.
Ongeveer 320 hectare netto bedrijventerrein transformeert naar verwachting in de periode 2006-2020. Dat is gebaseerd op recent onderzoek van ECORYS in opdracht van de Kamer van Koophandel regio Rotterdam, gecombineerd met inschattingen voor de rest van de provincie. Bij transformatie van bedrijventerreinen verdwijnt dus een deel van de capaciteit, die elders moet worden gecompenseerd.
Een ander aspect is dat we strategisch ruimte reserveren. Het duurt namelijk jaren voordat bedrijventerreinen die nodig zijn er ook daadwerkelijk liggen. Die reservering is van groot belang voor het opvangen van niet voorziene fluctuaties in de vraag en voor de beschikbaarheid van bedrijventerreinen na 2020.

Monitoren

Het spreekt vanzelf dat het belangrijk is de behoefte goed te monitoren; we plannen geen terreinen die niet nodig zijn. Maar we moeten ook voorkomen dat er een tekort aan moderne, concurrerende en duurzame bedrijventerreinen ontstaat en zo de werkgelegenheid negatief wordt beïnvloed.
Tot slot: bij de raming van bedrijventerreinen wordt niet alleen gekeken naar de kwantitatieve vraag, maar ook naar de kwalitatieve. Bedrijven uit verschillende sectoren hebben immers verschillende behoeften wat betreft locatie, zoals bereikbaarheid (via weg, water en spoor), milieucategorie, uitstraling, voorzieningen en grondprijzen. Je kunt dus niet zomaar alle hectares bij elkaar optellen en zeggen dat die ongeveer gelijk is aan de behoefte. Ook de verschillende kwaliteiten en doelgroepen spelen mee. Wanneer blijkt dat er een discrepantie bestaat tussen de kwalitatieve vraag en het aanbod moet de planning hierop worden aangepast.
De realiteit is niet eenvoudig. Willen we groen én ruimte behouden, dan moeten we vernieuwen, innovatief zijn, in het indelen van ruimte en in de samenwerking met partners: medeoverheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven. Zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in de bedrijvenlandschappen waarvoor de VROM-raad pleit. Met een goede inpassing in de omgeving, en beheerd met en door bedrijven, wordt duurzaamheid gegarandeerd.

Retoriek

De discussie rond bedrijventerreinen moet mijns inziens gaan over de toekomst van de Zuid-Hollandse economie, over behoud van het landschap, over herstructurering, duurzaamheid en zorgvuldigheid. De kern hiervoor ligt in mede in gezamenlijke oplossingen en in een zorgvuldige discussie. Ik ga daarvoor als gedeputeerde in Zuid-Holland, en vertrouw daarbij meer op geïnformeerd en betrokken partnerschap en niet op suggestieve retoriek.
J.W. Asje van Dijk
Gedeputeerde ruimtelijke en economische ontwikkeling provincie Zuid-Holland, Den Haag

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels