nieuws

Bevoegd gezag vergunning Natuurbeschermingswet

bouwbreed

Onlangs heeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Voorzitter) uitspraak gedaan in een geschil waarin de volgende vraag aan de orde was: is de vergunning die is verleend op grond van art. 19d van de Natuurbeschermingswet (Nbw) wel verleend door het daartoe bevoegde gezag? (ABRvS 19 januari 2007, zaaknr. 200700186/1 en 200700186/2).

De Natuurbeschermingswet (Nbw) 1998 kent twee beschermingsregimes: de Europese gebiedsbescherming, voor de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de nationale gebiedsbescherming.
Het overgrote deel van beschermde gebieden in Nederland valt overigens onder Natura 2000. Voor projecten in en nabij deze beschermde gebieden moet in bepaalde gevallen een vergunning aangevraagd worden bij gedeputeerde staten (hierna: GS) van de provincie waar het gebied ligt (artikel 19d lid 1 Nbw)
Bij uitzondering kan de minister van LNV het bevoegde bestuursorgaan zijn. De situaties waarin dat het geval is, zijn geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 (art. 19d lid 3 Nbw).

Stappen

Het volgende doet zich voor: bij besluit van 4 januari 2007 hebben GS van Limburg aan ProRail op grond van art. 19d Nbw 1998 een vergunning onder voorschriften verleend voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en het toekomstig gebruik van de hoofdspoorweg Budel-Weert. Tegen dit besluit heeft onder andere de ‘Stichting Milieufederatie Limburg’ beroep ingesteld.
Omdat de hoofdspoorweg Budel-Weert gedeeltelijk binnen de provincie Noord-Brabant en gedeeltelijk binnen de provincie Limburg ligt is sprake van een provinciegrensoverschrijdend infrastructureel werk.
Voorafgaand aan de vergunningverlening door GS moeten een aantal stappen worden genomen in het geval er in of nabij een beschermd natuurgebied infrastructuur wordt aangelegd, wordt gebouwd of grondwerkzaamheden plaatsvinden:
1. Eerst moet worden nagegaan of het project invloed kan uitoefenen op een Natura 2000-gebied op afstand: ook als een project niet plaatsvindt in het beschermde natuurgebied zelf kan het er schade toebrengen (de zogenaamde externe werking van het project).
Ook kan het zo zijn dat het project in samenhang met een ander project schadelijke gevolgen heeft voor het beschermde natuurgebied (dit wordt cumulatie genoemd).
2. Dan volgt de oriëntatiefase. Als niet met zekerheid kan worden gesteld dat het project negatieve effecten heeft voor een beschermd natuurgebied dan moet dit in overleg met het bevoegd gezag worden nagegaan. De vraag die in de oriëntatiefase aan de orde komt, is of er een kans op een ‘significant negatief effect’ bestaat. Dat wil zeggen dat op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen heeft. Is er zeker geen negatief effect dan hoeft er geen vergunning worden aangevraagd.
3. Als de uitkomst van de oriëntatiefase is dat er wel een mogelijk negatief effect is of er een kans is op een significant negatief effect dan moet er een vergunning worden aangevraagd.
In het geval dat hiervoorgenoemd is beschreven zijn deze stappen alle doorlopen en hebben GS van Limburg de vergunning verleend.

Bevoegd

Zoals gezegd zijn GS van de provincie waarin het gebied ligt het bevoegde gezag om de vergunning te verlenen. Maar in het geval van hoofdspoorweg Budel-Weert gaat het om een provinciegrensoverschrijdend project. Wie is in dit geval het bevoegde gezag? De Voorzitter verwijst naar art. 19d lid 3 Nbw 1998, bij algemene maatregel van bestuur kunnen projecten of andere handelingen of categorieën van gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning wordt verleend door de Minister. In deze algemene maatregel van bestuur, het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: het Besluit) worden in art. 2 aanhef en onder p ‘provinciegrensoverschrijdende infrastructurele werken genoemd’. In het geval van de hoofdspoorweg Budel-Weert is sprake van een provinciegrensoverschrijdend infrastructureel werk.
Het vergunde onderhoud en vergunde gebruik van de hoofdspoorweg Budel-Weert dienen daarom volgens de Voorzitter als activiteiten in de zin van art. 2 aanhef en onder p van het Besluit te worden beschouwd. En in dat geval is de Minister dus bevoegd om te beslissen op de aanvraag, en niet GS. GS, de Minister en ProRail zijn het hier niet mee eens. Zij verwijzen naar de nota van Toelichting bij het Besluit. Hierin staat dat het Besluit ertoe strekt de bevoegdheid tot vergunningverlening alleen in die situaties waarin het nationale belang op enigerlei wijze is betrokken, aan de minister toe te kennen. Maar dit argument brengt de Voorzitter niet tot een ander oordeel, omdat de tekst van art. 2 aanhef en onder p, van het Besluit daarvoor geen aanknopingspunten biedt .
De Voorzitter stelt ook dat de door GS, de minister en ProRail voorgestane uitleg van art. 2, aanhef en onder p, van het Besluit, dat uitsluitend de aanleg (en dus niet het onderhoud en gebruik) van provinciegrensoverschrijdende werken onder de reikwijdte van die bepaling zouden vallen ook niet juist is. Ook hier biedt de tekst van art. 2 aanhef en onder p daarvoor geen aanknopingspunten .

Relevant

Kortom: GS waren niet bevoegd waren te beslissen op de aanvraag van ProRail B.V. en hadden de aanvraag hadden moeten doorzenden naar de minister. Deze uitspraak is relevant voor alle provinciegrensoverschrijdende activiteiten die mogelijk vergunningplichtig zijn op grond van de Nbw 1998.
Mr. Natasja van Gilst
Stafmedewerker Instituut voor Bouwrecht (IBR), Den Haag
nvangilst@IBR.NL
Voor bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR: www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels