nieuws

Britten zetten steeds meer vraagtekens bij pfi

bouwbreed

In de bakermat van de ppp en pfi (pps), Groot-Brittannië, worden opnieuw vraagtekens gezet rond deze vorm van projectrealisatie. Het aantal bouwers dat zich aan een pfi-aanbesteding waagt neemt steeds meer af en het definitief op de klippen lopen van het grootste contract uit de geschiedenis, die voor de Londense metro, doet de zaak van de publiek-private samenwerking ook bepaald geen goed.

Groot-Brittannië telt inmiddels 800 ppp-contracten met over de komende dertig jaar gezien een totale waarde van 230 miljard euro. Maar in de bouwwereld is het enthousiasme voor de ppp de laatste tijd een stuk bekoeld. Dat leidt er toe dat minder dan de helft van de sinds 2003 aanbestede projecten vier of meer gegadigden trok, terwijl dat voor die tijd bij ruim zeventig procent van alle tenders het geval was. Een op de drie tenders levert tegenwoordig twee of zelfs maar één belangstellende op, zegt een verontruste commissie voor de openbare rekening uit het Britse Lagerhuis. “De concurrentie loopt een groot risico als dan één van de twee zich alsnog terugtrekt of als hun aanbieding te zwak blijkt te zijn.”

Tenderproces

De commissie weet wel hoe dat komt: “Het aanbesteden van pfi-projecten is de laatste jaren niet verbeterd en in sommige aspecten zelfs verslechterd.” Gemiddeld duurt een tenderproces tegenwoordig 34 maanden, ondanks alle beloofde verbeteringen een maand langer dan het gemiddelde van voor 2003. In één geval liep de tender zelfs uit tot zes jaar en een maand. Gemiddeld kost een tender daarbij 4,5 miljoen euro aan adviseurskosten. De commissie legt de schuld vooral bij de overheid, “waar de voor pfi’s ingezette teams niet over de juiste kennis en kunde beschikken om de machtige private partijen aan te kunnen”.
De Britse overheid geeft bovendien de inschrijvende marktpartijen vaak de kans om op het laatste moment nog flink met de prijs te rommelen. In een op de drie gevallen wordt immers de projectomschrijving nog gewijzigd na het aanwijzen van de preferred bidder “die daarmee de vrije hand krijgt om die wijzigingen in z’n prijzen door te berekenen”. De commissie concludeert dan ook: “Hoge tenderkosten en lange procedures ontmoedigen bieders en er is een grote kans dat dit een groot gevaar gaat vormen voor toekomstige pfi-projecten. Bovendien krijgt de belastingbetaler niet altijd waar voor z’n geld omdat bij de aanbesteding niet de beste methode wordt gevolgd.”

Metronet

De zwaarste mislukking in pfi-land is die van Metronet, een consortium met onder meer Balfour Beatty en WS Atkins, dat in 2003 een overeenkomst voor 30 jaar en 25 miljard euro sloot voor de verbetering en uitbreiding van negen van de twaalf lijnen van de London Underground. Die semi-privatisering werd doorgedrukt door de toenmalige minister van financiën en nu premier Gordon Brown, zeer tegen de wil van de openbaar vervoersautoriteit Transport for London (TfL) en burgemeester Ken Livingstone.
Al snel na de eerste werkzaamheden bleek dat Metronet de zaak volstrekt niet aan kon en trok TfL gelijkhebberig aan de bel. Begin dit jaar bleek dat Metronet alleen al over de eerste zeven jaar drie miljard euro te kort zou komen. De rekening werd neergelegd bij TfL maar toen dat, zoals verwacht, niet over de brug kwam trok Metronet zelf aan de handrem door ‘in administration’ te gaan, zeg maar surceance aan te vragen.
De bewindsvoerders van PriceWaterhouseCoopers hebben maanden geprobeerd andere private gegadigden te vinden, maar uiteindelijk is Transport for London nu de enige die Metronet wil inlijven. Met andere woorden: de pfi verliest de p van private en gaat zo goed als zeker per 1 januari weer gewoon terug naar de overheid.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels