nieuws

‘Wethouders zijn bang voor grote corporaties’

bouwbreed Premium

Tweede Kamerlid Staf Depla spreekt ze wel eens. Wethouders die hun burgers teleur moeten stellen omdat ze bang zijn voor de corporatiedirecteur. Want als die niet wil, dan komt er geen project van de grond. “Lokale bestuurders, burgers en corporaties zouden elkaar in balans moeten houden.”

De laatste aangekondigde fusie van de Amsterdamse corporatie Ymere en de in Hoofddorp gevestigde Woonmaatschappij levert een sociale huisvester op die 75.000 woningen beheert. Het tweetal wordt daarmee de grootste sociale huisvester van het land. Depla begrijpt er niets van. “Ymere heeft nu al zo’n 40.000 woningen en bezit in Noord-Holland een forse grondportefeuille. Wat dat betreft begint het daar steeds meer op Bouwfonds Nederlands Gemeenten te lijken. Hoezo geen armslag?”
Depla is kritisch over de winst die dergelijke fusies opleveren. Twee organisaties met elkaar integreren kost veel tijd, geld en energie. “Ik zie ze niet, maar de synergievoordelen moeten wel heel groot zijn, wil je die investeringen terugverdienen.” Als het aan de parlementariër ligt, dan geeft minister Vogelaar (wonen) geen toestemming. “De fusie is niet in het belang van de volkshuisvesting. En op grond daarvan kan de minister een vergunning weigeren.”
Zijn grootste zorg is niet de vraag of grote fusies tussen corporaties wat opleveren of niet, maar de vrees dat grote corporaties de dynamiek van het lokale bestuur verstoren. “Gemeenten, burgers en corporaties moeten tot elkaar veroordeeld zijn. Op die manier houden ze elkaar in evenwicht”, licht Depla zijn visie toe.
Zit in een wijk of gemeente op een goed moment nog maar één sociale huisvester, dan kan dat volgens Depla desastreus uitpakken. “Functioneert de corporatie niet goed of ligt de leiding dwars, dan krijg je als wethouder niets van de grond.”
Het moment dat de wethouder het verlengstuk wordt van de corporatiedirecteur, ontstaat er volgens Depla een ongewenste bestuurlijke situatie waarin burgers geen invloed meer hebben op hun eigen woonomgeving. “De wethouder moet verantwoording afleggen aan zijn kiezers, maar de corporatiedirecteur onttrekt zich aan die democratische controle.”
Vlak voor het zomerreces van 2006 haalde Depla nog een klein succesje binnen. Hij loodste een motie door de Tweede Kamer die fusiecorporaties groter dan 10.000 woningen om een extra toelichting vraagt. De grens is arbitrair, geeft Depla toe. “Maar uit onderzoek van branchevereniging Aedes blijkt dat de organisatiekosten van corporaties boven die grens snel stijgen.”
Omgezet in beleid zou de motie volgens hem tot regionale grenzen moeten leiden. “Ik weet ook wel dat 10.000 woningen in Boekel te groot is en in Amsterdam veel te klein.” De PvdA’er wil daarom dat de minister bij de beoordeling daarmee rekening houdt. Wordt de fusie groter dan bijvoorbeeld 30.000 woningen, dan worden de samenwerkingsplannen wat de parlementariër betreft verboden. Depla vraagt zich hardop af waarom corporaties altijd direct voor een tijdrovende en riskante fusie gaan. “Uit onderzoek blijkt dat negen van de tien overnames en fusies mislukken. Terwijl je ook daar kunt samenwerken waar dat direct iets oplevert.” Een goed voorbeeld hiervan is volgens de politicus de wijk Krispijn in Dordrecht waar drie corporaties hun bezit in de wijk in één organisatie hebben gebundeld om de problemen ter plaatse op te lossen.
“Maar andere constructies zijn ook mogelijk. Je kunt elkaar ook te hulp schieten door bijvoorbeeld een deel van je bezit te af te stoten, leningen te verstrekken of obligaties van een andere corporatie te kopen.”
Het Vogelaarfonds is volgens Depla een ander middel om corporatiegeld daar te krijgen waar dat nodig is. De sector is met de minister overeengekomen dat jaarlijks 250 miljoen euro via het door Vogelaar en branchevereniging Aedes in het leven geroepen fonds. Het geld is bestemd voor de veertig wijken die de bewindsvrouw heeft aangewezen. Wat Depla betreft, moeten ook corporaties die actief zijn in andere wijken een beroep kunnen doen op het fonds. “Maar dat mag niet ten koste gaan van de nu toegezegde miljoenen. De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. Maar over hoe vastgesteld moet worden welke corporaties het meeste bijdragen, is Depla het niet eens met het voorstel van Aedes. Volgens de laatste plannen wordt de WOZ-waarde gehanteerd. Maar de waardering, die gemeenten gebruiken om vastgoed te belasten, is door grootstedelijke corporaties fel bekritiseerd. Zij betalen door hun hoge WOZ-waardes meer aan het fonds dan de corporaties op het platteland. Terwijl juist buiten de Randstad veel onbenut corporatievermogen is.
“Ik had ook liever de waardering van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) gehad”, reageert Depla op de kritiek uit de sector. De financiële toezichthouder berekent de reserves van corporaties door de investeringsplannen van het beschikbare vermogen af te trekken. Op basis van de CFV-cijfers zijn de corporaties op het platteland het rijkst.
Depla wil er zich desondanks niet te veel mee bemoeien. “Het fonds is een initiatief van de sector. Daar ligt nu de bal. Wij zijn pas weer aan zet als het niet lukt om jaarlijks 250 miljoen euro bij elkaar te brengen.”

Reageer op dit artikel