nieuws

‘Selectief slopen, personeel en stof; dat worden de uitdagingen voor de komende jaren’

bouwbreed Premium

Siem Zeilemaker tracht de sloopbranche als volwaardig gesprekspartner van de overheid en opdrachtgevers te laten optreden. “Het vinden van goed personeel wordt een groot probleem.”

Zeilemaker heeft een leven lang in de sloop gewerkt. Zijn laatste baan was als directeur van Van Vliet Sloopwerken in Utrecht. Sinds vier jaar is hij voorzitter van de Babex, het verbond van ongeveer veertig grotere aannemers van sloopwerken. Zeilemaker is naast zijn werk als voorzitter van de Babex ook nog bestuurslid bij de Stichting vakopleiding sloopprojecten. Kort geleden is een nieuwe opleiding tot voorman in de sloop ontwikkeld. De oude was acht jaar oud. Zeilemaker: “In die tijd is er gigantisch veel veranderd. Vooral op het gebied van regelgeving en milieueisen. Zo’n vernieuwde opleiding was dus hard nodig.”
Het brengt Zeilemaker direct op waar volgens hem de toekomst van de sloop ligt: selectief slopen. “Uit de eisen en certificeringen die de overheid van ons vraagt blijkt dat we anders moeten gaan werken. Sommigen van ons – ik noem een Oranje Sloopwerken – gaan daar al heel ver in. En ik ga daar zelf ook in mee. Willen we deze aarde behouden voor onze kinderen en kleinkinderen zullen we veel selectiever moeten gaan slopen. We moeten het gebruik van grondstoffen zoveel mogelijk gaan beperken. En dat betekent dus hergebruiken van materialen. Neem nu isolatiemateriaal. Dat gooien we nu zomaar weg. Terwijl dat heel gemakkelijk te verwijderen is uit bijvoorbeeld plafondplaten.”

Spijkers

Maar Zeilemaker beseft dat het is als het verhaal van de kip en het ei. “Er moet ook een markt voor zijn. En dat vergt een omslag in de hele bouw. Want als de slopers er niets aan kunnen verdienen doen ze het niet. Zo simpel liggen de zaken.”
Het doet Zeilemaker denken aan de tijd van de wederopbouw. Toen bouwmaterialen schaars waren. “Als we toen iets sloopten moesten we bij wijze van spreken alle spijkers uit het hout trekken. Want er waren geen spijkers. Planken werden schoongemaakt. En daar is eigenlijk niets mis mee. Het hoort eigenlijk bij het sloopbedrijf.”
Want, zo betoogt hij, sorteerbedrijven waar de vrachtwagens met sloopafval naartoe gereden worden, kunnen materialen vaak lastig scheiden. “Dat gaat eigenlijk veel beter op locatie. Zeker in het geval van dat isolatiemateriaal. Je ziet nu ook een verschuiving in het denken bij de overheid. Tien, vijftien jaar geleden was er een tendens naar meer sorteerbedrijven. Met een goede vloer tegen vervuiling. Een dak erop zodat werknemers droog kunnen werken. Maar nu zijn we erachter dat veel van het sorteerwerk het beste op de slooplocatie zelf gedaan kan worden.”
Hij beseft dat die methode duurder is. En dat het geld ergens vandaan moet komen. Want de prijzen in de business staan de laatste jaren flink onder druk, mede door de harde concurrentie op de markt.
“Maar wellicht moeten we dat juist van de overheid verwachten. Ze kunnen dat straks eisen in een algemene maatregel van bestuur, die moet de sloopvergunning gaan vervangen. En als ze dat doen moeten bedrijven zich daar wel aan houden.”
Als overkoepelende organisatie ziet de Babex ook dat de sloopbranche niet het beste imago heeft. Dat het heersende beeld vaak is dat slopers lompe gasten zijn, met grote auto’s, die het wat minder nauw nemen met de regels, die de prijs van een werk even snel op de achterkant van het spreekwoordelijke sigarenkistje krabbelen. Ook Zeilemaker kent dat beeld. “Gelukkig is het vergeleken met 20 jaar geleden erg verbeterd. Er zit nu teveel handel en schroot in gebouwen om dat met de natte vinger te berekenen. Slopers weten echt wel precies wat het kost om een gebouw te slopen. De Babex probeert met opleidingen, certificering en milieukennis dat imago te verbeteren. Maar het is ook een beetje als bij autoslopers. Die werken tegenwoordig ook heel schoon en netjes. Maar het blijven autoslopers. Een beeld verander je maar langzaam.”
“Van oudsher is de sloop een erg regionaal ingedeelde bedrijfstak. Tegenwoordig moet iedereen echter landelijk werken. Anders red je niet. Dat betekent dat je aan elkaars klanten gaat komen. Dat schuurt nog wel eens. Maar het is wel logisch. De bedrijven groeien, de machines worden steeds groter en dus duurder. Dat betekent dat je ze aan het werk moet houden. Dus moet je groter groeien en dus buiten je eigen regio gaan werken.”
Het grote probleem waar de sloperbranche in de komende jaren tegenaan loopt is volgens Zeilemaker het vinden van goed personeel. “Vandaar dat we bezig zijn om contacten te leggen met ROC’s en vmbo’s. Ouderen leiden we wel op met de Stichting Vakopleiding Sloopprojecten, maar de aanwas van jongeren stokt. We moeten dus iets verzinnen. Maar ik verwacht daar eigenlijk pas over een jaar of drie resultaten van. Jongeren willen immers geen vies werk meer. Wie wil er nog sloper worden? Nog liever worden ze metselaar of timmerman. En het is zwaar, zeker voor de jongens die achter een sloophamer staan.”
Ondanks die ontwikkeling weet Zeilemaker dat de sloop een betrekkelijk veilige tak van sport is. “Het is, denk ik, veiliger dan in de gewone bouw. Ook omdat onze mensen zich erg bewust zijn dat ze in potentie gevaarlijk werk doen. Er kan altijd iets vallen, er wordt op hoogte gewerkt, noem maar op. Door dat bewustzijn gebeuren er weinig ongelukken.”
Wat wel van belang is, is dat er beter gelet gaat worden op stof en lawaai. Vooral stof kan dezelfde gevolgen hebben dan asbest. Zeilemaker: “Ook hier geldt de kip en het ei. Fabrikanten zeggen dat er geen vraag is naar machines met een goede stofafzuiging. En de mannen die er mee werken vinden het vaak lastig, maar werken er ook niet mee omdat het er niet is. Toch is het ziekteverzuim laag. Dat ligt denk ik ook aan de mentaliteit. ‘Niet zeuren, maar aanpakken.’ En omdat het veel familiebedrijven zijn. Die laten elkaar niet zitten omdat ze zich even niet lekker voelen.”

Reageer op dit artikel