nieuws

School voor toezichthouders

bouwbreed Premium

In mijn vak kom ik geregeld toezichthouders tegen. Die heb je, net als gewone mensen, in soorten en maten. Dat werd me weer eens duidelijk toen ik iets mocht doen op het lustrumcongres van de Vereniging van Toezichthouders in Woningcorporaties. Als een beroepsgroep confereert dan gaat het vaak over dezelfde dingen. Professionalisering, verjonging, meer vrouwen en meer allochtonen. Dat was hier niet anders. Tegelijkertijd heeft elke beroepsgroep zijn specifieke sores. Belangrijk knelpunt voor toezichthouders van woningcorporaties bleek die dag de externe legitimering te zijn. Stichtingen zijn van niemand. En als het eens een keer goed fout gaat, dan zijn toezichthouders nogal eens onderdeel van het probleem, omdat ze juist onvoldoende toezicht hebben gehouden en met de directie onder een deken sliepen. De fraude bij PWS in Rotterdam is daarvan illustratie, maar ook de ondergang, een aantal jaren terug, van LievendeKey in Amsterdam. Beide voorbeelden laten zien dat falend toezicht niet een direct gevolg is van het gebrek aan professionaliteit. In beide gevallen zaten er raden van toezicht met professionals. Op dat congres heb ik dan ook de stelling betrokken dat er twee grote bedreigingen zijn voor het intern toezicht. Onbenullige toezichthouders, die niet zijn toegerust op hun taak. En arrogante toezichthouders die denken dat ze het allemaal wel weten en ter plekke hun envelop openscheuren. De discussie over ‘falen’ moet zich dus niet alleen richten op die onbenullige toezichthouders, maar juist ook op arrogante toezichthouders. Beide groepen moeten volgens mij naar school. Naar de school voor toezichthouders. Daar worden ze geschoold in het stellen van de goede vragen aan de directie, het snel en kritisch lezen van het meest verschrikkelijke beleidsproza, het dwars lezen van ingewikkelde juridische en financiële stukken, het tevreden zijn met een zittingsduur van vier jaar en het doorprikken van zeepbellen en andere ballonnen. Bovendien worden ze getraind in het elkaar de maat nemen. Toezichthouders die merken dat een van hun verzaakt, moeten er voor zorgen dat die toezichthouder uit de club wordt gezet. Gelukkig gebeurt dat zo af en toe al, maar het is eigenlijk ‘not done’. Als er een nitwit in de raad zit, dan zit die zijn termijn meestal netjes uit en manoeuvreert de rest erom heen. Maar eigenlijk geldt dat verzaken ook voor die brave monospecialisten, die een portefeuille hebben en verder hun mond houden. Brede toezichthouders met een diploma dus. Daar gaat het om. Dienstjaren als directeur, bestuurder, wethouder, notabele of dorpsfabrikant, die tellen niet meer. Nee, meneer, mag ik even uw certificaat zien, waarmee u laat zien dat u met goed gevolg de school voor toezichthouders hebt gevolgd? Zo zou het moeten. Maar externe legitimering vraagt nog wat extra. Een goede raad zou de samenleving moeten zien als zijn aandeelhouders. De raad zou de dialoog moeten aangaan met bewoners, maatschappelijke instellingen, ondernemingen en overheden. En als die ontevreden zijn over het functioneren van de corporatie, dan fungeren die organisaties als aandeelhouder. Geen maatschappelijke steun betekent dan het opstappen van de raad. Een goede raad, die zeker is van zijn zaak, durft natuurlijk dit pad in te slaan. Die huren het dorpscafé af en vragen de samenleving of ze het goed hebben gedaan en of ze voldoende maatschappelijk vertrouwen hebben. Volgende keer doe ik verslag van zo’n eerste virtuele aandeelhoudersvergadering in het dorpscafé van…

In mijn vak kom ik geregeld toezichthouders tegen. Die heb je, net als gewone mensen, in soorten en maten. Dat werd me weer eens duidelijk toen ik iets mocht doen op het lustrumcongres van de Vereniging van Toezichthouders in Woningcorporaties. Als een beroepsgroep confereert dan gaat het vaak over dezelfde dingen. Professionalisering, verjonging, meer vrouwen en meer allochtonen. Dat was hier niet anders. Tegelijkertijd heeft elke beroepsgroep zijn specifieke sores. Belangrijk knelpunt voor toezichthouders van woningcorporaties bleek die dag de externe legitimering te zijn. Stichtingen zijn van niemand. En als het eens een keer goed fout gaat, dan zijn toezichthouders nogal eens onderdeel van het probleem, omdat ze juist onvoldoende toezicht hebben gehouden en met de directie onder een deken sliepen. De fraude bij PWS in Rotterdam is daarvan illustratie, maar ook de ondergang, een aantal jaren terug, van LievendeKey in Amsterdam. Beide voorbeelden laten zien dat falend toezicht niet een direct gevolg is van het gebrek aan professionaliteit. In beide gevallen zaten er raden van toezicht met professionals. Op dat congres heb ik dan ook de stelling betrokken dat er twee grote bedreigingen zijn voor het intern toezicht. Onbenullige toezichthouders, die niet zijn toegerust op hun taak. En arrogante toezichthouders die denken dat ze het allemaal wel weten en ter plekke hun envelop openscheuren. De discussie over ‘falen’ moet zich dus niet alleen richten op die onbenullige toezichthouders, maar juist ook op arrogante toezichthouders. Beide groepen moeten volgens mij naar school. Naar de school voor toezichthouders. Daar worden ze geschoold in het stellen van de goede vragen aan de directie, het snel en kritisch lezen van het meest verschrikkelijke beleidsproza, het dwars lezen van ingewikkelde juridische en financiële stukken, het tevreden zijn met een zittingsduur van vier jaar en het doorprikken van zeepbellen en andere ballonnen. Bovendien worden ze getraind in het elkaar de maat nemen. Toezichthouders die merken dat een van hun verzaakt, moeten er voor zorgen dat die toezichthouder uit de club wordt gezet. Gelukkig gebeurt dat zo af en toe al, maar het is eigenlijk ‘not done’. Als er een nitwit in de raad zit, dan zit die zijn termijn meestal netjes uit en manoeuvreert de rest erom heen. Maar eigenlijk geldt dat verzaken ook voor die brave monospecialisten, die een portefeuille hebben en verder hun mond houden. Brede toezichthouders met een diploma dus. Daar gaat het om. Dienstjaren als directeur, bestuurder, wethouder, notabele of dorpsfabrikant, die tellen niet meer. Nee, meneer, mag ik even uw certificaat zien, waarmee u laat zien dat u met goed gevolg de school voor toezichthouders hebt gevolgd? Zo zou het moeten. Maar externe legitimering vraagt nog wat extra. Een goede raad zou de samenleving moeten zien als zijn aandeelhouders. De raad zou de dialoog moeten aangaan met bewoners, maatschappelijke instellingen, ondernemingen en overheden. En als die ontevreden zijn over het functioneren van de corporatie, dan fungeren die organisaties als aandeelhouder. Geen maatschappelijke steun betekent dan het opstappen van de raad. Een goede raad, die zeker is van zijn zaak, durft natuurlijk dit pad in te slaan. Die huren het dorpscafé af en vragen de samenleving of ze het goed hebben gedaan en of ze voldoende maatschappelijk vertrouwen hebben. Volgende keer doe ik verslag van zo’n eerste virtuele aandeelhoudersvergadering in het dorpscafé van…

Reageer op dit artikel