nieuws

Balanceer-act met rijksmonumenten

bouwbreed Premium

Minister Plasterk wil honderd gebouwen uit de wederopbouwperiode (1940-1958) tot beschermd rijksmonument bombarderen. Renovatiespecialist Wessel de Jonge heeft drie van deze monumenten onder handen.

Gebouwen uit de jaren vijftig

Huf’s Schoenenmagazijn (1954) aan de Rotterdamse Hoogstraat was bij oplevering een voorbeeld van baanbrekende nieuwe architectuur. “In feite is de schoenenzaak één grote winkelvitrine, een marktplaats met glas eromheen”, vertelt De Jonge.
Architectenbureau Van den Broek 0x26 Bakema koos daarmee voor dezelfde typologie waarmee het de Lijnbaan ontwierp – destijds internationaal vermaard als de nieuwe vorm van winkelen. Op oude foto’s is zichtbaar hoe bij avond winkelend publiek vanachter glas zich vergaapt aan honderden uitgestalde schoenen, die baden in een zee van licht.
Anno 2007 staat het toenmalige schoenenpaleis er treurig bij. Het gebouw is deels verscholen achter grote luifels en een shoarmatent, gevels en deuren zijn beklad met graffiti en fraaie transparante glasfaçades zijn dichtgetimmerd. Het renovatieplan waaraan Wessel de Jonge werkt, voorziet in reparatie van de typische hoogtransparante gordijngevel (staaldelen/glas) en plaatsing van dubbelglas, terwijl het verwijderen van allerlei later ingebouwde doosconstructies op de bovengelegen verdiepingen de lichte kolomstructuur weer in het zicht moet brengen. Verbetering van installaties en plaatsing van buitenzonwering moet zorgen voor controle over het lastig beheersbare binnenklimaat en voor meer controle over invallend daglicht. De komst van computer heeft dat laatste noodzakelijk gemaakt.
De Jonge zet verder in op verwijdering van de later aangehangen luifels en vorming van een royale nieuwe entree naar de kantoorverdiepingen. De Jonge: “Een enkele forse ingreep hoef je bij een monument niet te schuwen, om een tweede leven mogelijk te maken. Zolang je maar niet snijdt in de ziel van het gebouw.” Het slagen van het project is nog onzeker. Dit is afhankelijk van de uitkomst van financiële onderhandelingen tussen gemeente en projectontwikkelaar.
De Jonge juicht de groeiende aandacht voor behoud van naoorlogse architectuur van harte toe. Hoog tijd, vindt de voorvechter van behoud van modernistisch erfgoed. “Jammer alleen dat minister Plasterk bij zijn voordracht van nieuwe rijksmonumenten kennelijk niet uitgaat van een afgewogen methodiek, waarbij ook naar stedenbouwkundige samenhang wordt gekeken.” Tijdrovende procedures rond rijksmonumenten ziet hij niet als problematisch. “Het is lastiger dan nieuwbouw, maar ieder zijn vak.”
Voor Rotterdam kan het zomaar betekenen dat het in één klap een monumentenstad wordt. Een raar idee. De Jonge: “Hoezo? De manier waarop Rotterdam met zijn architectuurgeschiedenis omgaat, heeft iets onvolwassens, een teken van gebrek aan zelfvertrouwen. Als je je verleden niet begrijpt en de waarde ervan niet inziet, kun je ook niet werken aan je toekomst.”
Het gebrek aan waardering voor de architectuur van kort na de oorlog houdt volgens De Jonge behalve met de recente bouwdatum verband met het feit dat het er veelal slecht bij staat. “In Rotterdam is het voor 90 procent gribus geworden, de kwaliteiten zijn nauwelijks meer zichtbaar”, zegt De Jonge. “In heel Nederland zie je trouwens dat gebouwen uit de jaren vijftig zijn veranderd in een soort Michelin-mannetjes. Bijvoorbeeld omdat we tegenwoordig het hele jaar door in T-shirt willen kunnen rondlopen. In veel van deze – glasrijke – gebouwen is daarom begonnen met maatregelen tegen tocht en koudeval. Dat kan leiden tot condensatie op ramen, maar ook tot betonrot, omdat het vocht nergens heen kan. Zo’n sneeuwbaleffect aan problemen wordt de gebouwen onterecht verweten. En aanpak van zo’n gebouw is mede daarom een balanceer-act: je moet alle consequenties van een ingreep doordenken. De grote kunst is, je te verplaatsen in de gedachten van de toenmalige architect, om tot doordachte aanpassingen te komen in de software, met behoud van de hardware. Want daar is niks mis mee.”
In Rotterdam werkt De Jonge momenteel ook aan de herbestemming van Het Slaakhuys (J.J.M. Vegter, 1955), ooit gebouwd als redactiegebouw en krantendrukkerij van ‘Het Vrije Volk’. Aan de Amsterdamse Wibautstraat krijgt het ROC ASA (J.B. Ingwersen, 1956) een fikse upgrading. Het ROC, dat nog altijd in gebruik is als schoolgebouw, is een haast letterlijk stijlcitaat van Le Corbusier. Bij alledrie gebouwen speelt aanpassing van de installaties een sleutelrol. Die moeten nauwgezet worden toegesneden op dubbelglas. Plaatsing daarvan is meestal noodzakelijk, door veranderde eisen ten aanzien van geluid en binnenklimaat. In het Slaakhuys is verder sloop van systeemplafons en tussenwanden nodig en herstel van door krakers aangerichte schade aan betonreliëfs, natuursteen vloeren en tegeltableaus. “Wat deze gebouwen gemeen hebben is een lichte, open structuur en een optimistische uitstraling”, zegt De Jonge. “De opdracht aan de bouwwereld is, deze jonge monumenten op zo’n manier aan te pakken dat ook niet-vakmensen die kwaliteiten weer zien.”■

Reageer op dit artikel