nieuws

Aparte ‘Asser’ aanneming werk

bouwbreed

Onlangs verscheen hét handboek van het Nederlands recht van aanneming van werk, deel 5 IIIC, in de Asser-serie. Deze serie bevat de heersende leer betreffende het Nederlands burgerlijk recht. Het onderdeel bijzondere overeenkomsten betreft onder andere de koopovereenkomst, de huurovereenkomst en de overeenkomst van aanneming van werk. Voorheen maakte de bespreking van het recht van aanneming van werk onderdeel uit van het deel, waarin ook de overeenkomst van opdracht en de arbeidsovereenkomst was opgenomen. Nu is aan dit onderwerp terecht een eigen deel gewijd.

De bouwrecht juristen hebben sinds de verschijning in 1994 van de laatste bespreking in de Asser-serie reikhalzend uitgezien naar dit boek. Reden om er uitgebreid bij stil te staan.
Het ligt voor de hand om de bespreking door Van den Berg in deze nieuwe uitgave te vergelijken met die van 1994, van de hand van H.O. Thunnissen. De boeken zijn echter inhoudelijk anders opgezet. Thunnissen deelde zijn bespreking in twee delen: een deel aanneming van werk en een deel ‘Andere regelingen voor de aanneming van bouwwerken’. In dat laatste deel kwamen o.a. de aanbesteding en de bouwvergunning aan de orde. Deze onderwerpen komen, afgezien van de aanbesteding, niet meer ten principale terug in het huidige boek. Van den Berg bespreekt het onderwerp in twee grote delen: de aanneming van werk in bilateraal verband en vervolgens de aanneming van werk in multilateraal verband.
Het eerste deel valt uiteen in zeven hoofdstukken. Daarin passeren o.a. de volgende onderwerpen de revue: het karakter van de overeenkomst, de totstandkoming van de overeenkomst (waarin onder andere het gevaar van leuren aan de orde komt), de verplichting van de opdrachtgever de aannemer in staat te stellen de overeenkomst na te komen, de verplichting het werk tot stand te brengen (met daarin uiteraard de bespreking van de waarschuwingsplicht en het falend directietoezicht), de betalingsverplichting, het voortijdig einde van de overeenkomst en tot slot de bouw van een woning in opdracht van een consument.
In het tweede deel komen aan de orde de hoofd- en onderaanneming, de nevenaanneming, de bouwcombinatie en het bouwteam.

Invalshoeken

De bespreking van de onderwerpen vindt plaats aan de hand van verschillende invalshoeken. Om te beginnen volgt de schrijver de wettelijke regeling van aanneming van werk (Boek 7, titel 12). Gezien het grote belang voor de praktijk van het zogenaamde autonome bouwrecht – de algemene voorwaarden als UAV 1989 en UAV-GC 2005, komt ook dat uitgebreid aan de orde. Daarnaast zijn er internationale ontwikkelingen gaande. Daarmee wordt gedoeld op de Principles of European Law on Service Contracts (PELSC), die in 2007 het licht zagen. Voor de geïnteresseerde lezer: voor zover deze voorwaarden betrekking hebben op het bouwrecht wijdt de Vereniging voor de Bouwrecht daar binnenkort een bijeenkomst aan.
Zoals gezegd, gaat het in de Asser-serie om de heersende leer. Het is interessant te zien hoe die zich verhoudt tot de nieuwste opvattingen, zoals neergelegd in de PELSC. Het voert te ver hier uitgebreid verslag van te doen, ik beperk me dan ook tot een enkel voorbeeld. Naar Nederlands recht kan niet de verplichting rustend op de aannemer niet zonder meer gekwalificeerd worden als een resultaatsverbintenis. Terecht merkt Van de Berg, p. 105, op dat de mate waarin opdrachtgever en aannemer zich inlaten met de vervulling van de procesfuncties ontwerpen en uitvoeren in de praktijk zeer kan variëren en daardoor zou het een onverantwoorde vergroving zijn indien onvoorwaardelijk gezegd zou worden dat op de aannemer een resultaatsverbintenis zou rusten.
Het gaat er ten onzent om, om aan de hand van de concrete omstandigheden te beoordelen waartoe de aannemer gehouden is. Dit strookt echter niet met de wijze waarop in de PELSC met de kwalificatie van de verplichting van de aannemer wordt omgegaan. Op grond van art. 2:104 leden 1 en 2 moet de aannemer een zaak opleveren die geschikt is voor het doel waarvoor de zaak gewoonlijk bedoeld is. Het is dan niet voldoende dat de aannemer aantoont dat het gebouw voldoet aan de in de vraagspecificatie gestelde kwaliteitseisen: de zaak moet los daarvan voldoen aan de bestemming. Alleen indien de aannemer kan bewijzen dat de zaak niet voldoet aan zijn bestemming door beslissingen van de opdrachtgever, kan de aannemer zich onttrekken aan aansprakelijkheid. Van den Berg is met deze gang van zaken niet gelukkig en in zijn bespreking (p. 106/107) geeft hij aan dat de argumenten van o.a. verzekerbaarheid, informatievoorsprong van de aannemer niet overtuigen.

Goede wijn

De bespreking van de verschillende onderwerpen vindt aan de hand van de wet plaats en daarnaast, zoals al opgemerkt, tevens aan de hand van de bekende algemene voorwaarden. Het verbaast dan ook niet, dat bij het onderwerp de verplichting het werk op te leveren, de schrijver zijn al eerder gehouden pleidooi herhaalt om de verwijzing in de UAV 1989 naar artikel 1645 BW (oud) te vervangen. Art. 1645 BW (oud) regelt de aansprakelijkheid na oplevering in geval van instorting. Regelen is echter een te groot woord, want de bepaling kent een groot aantal totaal verschillende interpretaties. Het pleidooi van Van den Berg kan ik daarom alleen maar nogmaals onderschrijven.
Goede wijn behoeft geen krans; een boek in de Asser-serie behoeft geen reclame. Dit geldt eens te meer voor dit boek. Het boek hoort thuis op het bureau van iedereen die werkt met het privaatrechtelijk bouwrecht ongeacht of dit gebeurt als advocaat, bedrijfsjurist, adviseur of anderszins.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels