nieuws

Woningbouw en arbeidscapaciteit

bouwbreed

Uitgaande van de sloop van 15 000 woningen per jaar zouden in Nederland de komende vier jaar 410 000 nieuwe woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Als het een beetje tegen zit worden het er echter 296 000. Een verschil van maar liefst 114 000 woningen. Dit is de boodschap, die centraal staat in een studie van ING Economisch Bureau.

Uitgaande van de sloop van 15 000 woningen per jaar zouden in Nederland de komende vier jaar 410 000 nieuwe woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Als het een beetje tegen zit worden het er echter 296 000. Een verschil van maar liefst 114 000 woningen. Dit is de boodschap, die centraal staat in een studie van ING Economisch Bureau.
De resultaten van de studie werden deze week tijdens een bijeenkomst in Zoetermeer gepresenteerd door Jan van der Doelen, Branchemanager Bouw bij dezelfde bank. Bij de totstandkoming van de publicatie heeft ING samengewerkt met Bouwend Nederland.
Het verschil tussen behoefte en realisatie van nieuwe woningen komt dus uit op 28 500 woningen per jaar. En dat bij een – gelet op de plannen voor herstructurering van de naoorlogse woningvoorraad – maar beperkt aantal per jaar te slopen woningen. Niet verwonderlijk dus dat het onderzoek zich vooral richt op de oorzaken van de gesignaleerde kloof tussen wens en werkelijkheid in de woningbouw. Ook mogelijke oplossingen komen aan de orde.
Als voornaamste oorzaak voor het dreigende achterblijven van de woningbouw wordt gewezen op het gebrek aan arbeidscapaciteit in de bouwnijverheid.
De belangrijkste oplossing moet komen uit een verhoging van de arbeidsproductiviteit. Om dit laatste te bereiken is het noodzakelijke tot een hogere innovatiegraad te komen. Duurzame relaties met de belangrijkste stakeholders, zoals opdrachtgevers, toeleveranciers, onderaannemers en personeel worden daarbij gezien als de sleutel naar meer innovatie. Samenvattend kan worden vastgesteld, dat de ING-studie de meeste aspecten die de toekomstige woningbouw bepalen behandelt. Toch passen een paar kanttekeningen. Voor een deel zijn die ook bij vergelijkbare rapportages te maken, waar over productiviteit en innovatie in de bouw wordt gesproken.
De gevolgen van een tekortschietende arbeidscapaciteit heb ik echter nog niet op deze wijze zien verwoord.
De innovatie in de bouw zou te gering zijn en ook sterk achterblijven bij wat in andere bedrijfstakken kan worden gesignaleerd. Uitgaande van de jaarlijkse verbetering van de productiviteit als een maat voor innovatie wordt de bouwnijverheid geplaatst tegenover de industrie. Het beeld van een stagnerende of zelfs dalende productiviteit in de bouw wordt afgezet tegen een fikse toename in de industrie. Weliswaar wordt in een toelichting gewezen op enkele factoren die het verschil kunnen verklaren. De belangrijkste oorzaak blijft dat de statistische waarneming van de steeds geavanceerder opererende toeleverende industrie – die tegelijk steeds vaker ook de montage op de bouwplaats verzorgt – voor de positieve cijfers zorgt en daarmee omgekeerd de bouwnijverheid een pas op de plaats doet maken. Een definitiekwestie dus als oorzaak van achterblijvende innovatie. Overigens is een plotseling sterk stijgende productiviteit natuurlijk een utopie.
De behandeling van de tekortschietende arbeidscapaciteit in de bouw komt mij wat statisch over. Zeker omdat te weinig aandacht wordt geschonken aan de economische gevolgen van een verstoorde verhouding van vraag en aanbod. Hogere lonen door schaarste op de arbeidsmarkt veroorzaken hogere bouwprijzen. Deze zullen een deel van de vraag naar woningen doen verdampen. De hogere beloning zal ook leiden tot nieuwe aanwas van personeel. Maar ook zal de toeleverende industrie in het gat springen, omdat oplossingen van die kant eerder betaalbaar worden.
Dat de vraag naar nieuwe woningen verdampen kan als gevolg van stijgende prijzen komt in veel beschouwingen over de woningbouw maar beperkt of helemaal niet aan de orde.
Het getal van 102 500 woningen per jaar tot 2011 dat in de ING-studie wordt gehanteerd is niet gebaseerd op een marktanalyse, maar eerder een beleidsmatige norm, evenals de 80 tot 100 000 per jaar van het kabinet. De studie levert voldoende stof voor discussie over belangrijke onderwerpen.
Prof.drs. Adri Buur
Buur Consultancy, Hoorn
a.buur@hccnet.nl

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels