nieuws

‘Restaurateur weet te weinig van beton’

bouwbreed

Restaurateurs weten nog maar weinig van beton. “Met als gevolg dat betonnen monumenten in een snel tempo verkruimelen omdat niemand weet hoe het verval te stoppen”, legde ing. Herdis Heinemann van de TU Delft uit op een bijeenkomst van het kenniscentrum MIT.

MIT valt onder de faculteit Architectuur van de TU Delft en moet onder meer de kennis over betonrestauraties bevorderen. Tot pakweg 1900 werden monumentale panden opgebouwd uit traditionele materialen waarvan de meeste eigenschappen bekend zijn bij de restaurateurs. Rond 1900 kwam het beton op en daar blijkt veel minder van bekend. Met het gevolg dat betonnen gebouwen met een monumentenstatus in een steeds sneller tempo vervallen en verkruimelen. Bijvoorbeeld vanwege chemische reacties door agressieve toeslagstoffen.
“Door die ontbrekende kennis doen restauraties soms meer kwaad dan goed”, ontdekte Heinemann. Dat komt mede door het utilitaire aard van zo’n gebouw. “Een brug, een fort of een waterkering uit beton wordt doorgaans onderhanden genomen door een betonreparateur en niet door een erkend restaurateur.” De kennis van een betonreparateur is vooral gericht op een functioneel herstel waarna een constructie nog een aantal jaren dienst kan doen.

Invloeden

Heinemann: “Zo’n aanpak gebeurt met materialen die op dat moment worden gebruikt en toegepast op een manier die technisch gezien het meeste rendement geeft.” Een monument is door al die ‘vreemde’ invloeden dan eigenlijk geen monument meer. Veel betonnen monumenten zijn dat ook voor het herstel al niet meer omdat ze vaak na een verbouwing voor iets anders worden gebruikt dan waarvoor ze zijn ontworpen.
“Een gerestaureerd betonnen pand ziet er na de restauratie soms desolater uit dan ervoor”, vindt Heinemann. En met de tekortschietende kennis over deze specifieke tak van restauratie kan dat eigenlijk ook niet anders.
Zo ontbreekt het bijvoorbeeld aan vaklieden die betonnen details kunnen restaureren; details die de betonreparateur omwille van een degelijk herstel al snel wegbeitelt. Een vakkundig betonrestaurateur moet zich altijd afvragen wat de architect bedoelde en zich zoveel mogelijk beperken tot de oorspronkelijke materialen.

Discussies

De oorspronkelijkheid van materialen geeft soms aanleiding tot heftige discussies, weet prof. dr. ing. Dirk-Jan de Vries, eveneens betrokken bij MIT.
“De gevel van een historisch gebouw als de St. Jan in Den Bosch is in de afgelopen anderhalve eeuw al drie keer gerestaureerd. Daarbij is pakweg 80 procent van het oorspronkelijke materiaal vervangen door nieuw.” En dat roept bij hem vragen op over de oorspronkelijkheid van een gebouw en de zin van restauraties.
De Vries vindt dat veel gerestaureerde gebouwen tegenwoordig voor een groot deel bestaan uit materialen waarmee ze oorspronkelijk niet zijn gemaakt. “Bijvoorbeeld omdat dit materiaal niet meer bestaat, te duur is geworden of omdat het wettelijk niet meer mag worden verwerkt.” Met gevolg dat niet meer het oorspronkelijke materiaal wordt gerestaureerd maar het materiaal dat voor een restauratie is gebruikt.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels