nieuws

Inschrijven door meerdere groepsmaatschappijen

bouwbreed

Bij aanbesteding van overheidsopdrachten is inschrijving met meerdere ondernemingen uit een groep of concern geregeld punt van aandacht. De bedoeling is duidelijk. Op die manier wordt de kans op gunning van de opdracht vergroot, althans als het loopt zoals door de betreffende inschrijvers bedacht. In de praktijk blijkt evenwel dat aanbestedingsstukken vaak beperkingen bevatten van de mogelijkheid om met meerdere groepsmaatschappijen op dezelfde opdracht in te schrijven. Zo wordt veelvuldig als voorwaarde gesteld dat binnen een concern of groep slecht één rechts

Bij aanbesteding van overheidsopdrachten is inschrijving met meerdere ondernemingen uit een groep of concern geregeld punt van aandacht. De bedoeling is duidelijk. Op die manier wordt de kans op gunning van de opdracht vergroot, althans als het loopt zoals door de betreffende inschrijvers bedacht. In de praktijk blijkt evenwel dat aanbestedingsstukken vaak beperkingen bevatten van de mogelijkheid om met meerdere groepsmaatschappijen op dezelfde opdracht in te schrijven. Zo wordt veelvuldig als voorwaarde gesteld dat binnen een concern of groep slecht één rechts
persoon mag inschrijven. Een dergelijke voorwaarde beoogt de daadwerkelijke concurrentie tussen de inschrijvers zo veel mogelijk te bevorderen. De omschrijving van de beperking in de aanbestedingsstukken komt nogal nauw zoals blijkt uit twee recente uitspraken. Zo rijst onder meer de vraag hoe de term ‘groepsmaatschappij’ moet worden begrepen. In artikel 2:24a van het Burgerlijk Wetboek is bepaald wanneer formeel sprake is van een dochtermaatschappij van een rechtspersoon. In dat kader heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden zich onlangs uitgesproken over een (openbare) aanbesteding van huishoudelijke verzorging. Aan de orde was de vraag of in strijd met het bepaalde in het bestek door twee zustermaatschappijen was ingeschreven. Het bestek bepaalde dat een rechtspersoon, daaronder mede begrepen een dochter-, zuster- dan wel een moedermaatschappij van deze rechtspersoon, slechts één inschrijving mocht indienen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestek moest worden uitgelegd tegen de achtergrond van het beginsel van aanbestedingsrecht, dat het belang van een eerlijke mededinging voorop stelt. Daarbij gaat het erom vast te stellen of een inschrijver behoort tot een samenstel van rechtspersonen waarvan objectief kan worden vastgesteld dat de zeggenschap bij een andere rechtspersoon, de moedermaatschappij, berust.
In dit geval bleek uit de registers van de Kamer van Koophandel dat één en dezelfde stichting als enig bestuurder fungeerde van beide inschrijvers. De voorzieningenrechter oordeelde op basis hiervan dat de verhouding tussen beide inschrijvers moet worden aangemerkt als die van zustermaatschappijen als bedoeld in het bestek. De aanbestedende dienst had dan ook de inschrijving van de als eerste geëindigde zustermaatschappij als strijdig met het bestek moeten aanmerken. De beoogde winnaar delft in dit geval het onderspit.
De Hoge Raad oordeelde recentelijk over een vergelijkbare vraag in een niet-openbare aanbestedingsprocedure voor de verbreding van een autosnelweg. In die zaak vermeldt de selectieleidraad dat een onderneming zich slechts eenmaal, al dan niet in combinatie met andere ondernemingen, als gegadigde mag aanmelden. Drie ondernemingen uit eenzelfde concern hadden zich in de selectiefase gemeld. De aanbestedende dienst wees alle drie gegadigden af omdat zij niet aan de eisen voldeden. De voorzieningenrechter te Den Haag stelde de aanbestedende dienst in het gelijk. Het Hof Den Haag beveelt daarentegen de aanmeldingen van de drie gegadigden in het vervolg van de aanbestedingsprocedure mee te nemen. De Hoge Raad volgt het Hof in haar oordeel dat in dit verband onder een ‘onderneming’ moet worden verstaan ‘een zelfstandig in het economisch verkeer opererende entiteit’. Niet is gesteld dat in dit geval de drie ondernemingen, ook al maken zij onderdeel uit van één concern, niet ieder voor zich als zodanig plegen op te treden. Op dit punt krijgen de in eerste instantie afgewezen drie gegadigden van de Hoge Raad het gelijk aan hun kant. Het Hof Amsterdam zal nog moeten oordelen over een ander vraagpunt in deze aanbesteding. Wordt vervolgd.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels