nieuws

Cradle-to-cradle: van afval naar hoogwaardig product

bouwbreed

In het kielzog van Al Gore krijgt het gedachtegoed van duurzaamheidsgoeroe’s McDonough en Braungart vaste voet aan de grond in Nederland. Venlo, Almere en Haarlemmermeer hebben al plannen voor complete cradle-­to-cradle kantorenparken, waar afval niet wordt gestort maar het vertrekpunt vormt voor nieuwe producten en materialen.

Afval is voedsel. Dat is de kern van de ideeën van William McDonough en
Michael Braungart. Recyclen betekent in de praktijk volgens hen te vaak
down-cyclen. Betonnen muren keren na bewezen diensten niet terug als nieuw beton
maar als puingranulaat onder wegen; afgedankte petflessen worden bermpaaltjes in
plaats van opnieuw petflessen. Bij elke hergebruikstap keren materialen in een
laagwaardiger vorm terug. Totdat er uiteindelijk afval overblijft dat alleen nog
maar kan worden verbrand of gestort. Volgens de Amerikaanse architect en de
Duitse biochemicus die een bijzondere samenwerking aangingen, kan het ook
anders. Producten en materialen moeten zo worden ontworpen dat ze juist kunnen
up-cyclen en aan de wieg staan van hoogwaardige nieuwe producten. Materialen
doorlopen dan geen weg van wieg tot graf, maar van wieg tot nieuwe wieg, oftewel
cradle-to-cradle. Het hele concept afval moet volgens het duo overboord worden
gezet. Aan een composteerbare ijsverpakking die ze ontwierpen voegden ze zaadjes
toe die ontkiemen en hun eerste voedingsstoffen onttrekken aan het cellofaantje
nadat het is afgedankt. Vervuilde fabrieksterreinen die McDonough en Braungart
saneerden, veranderen in een soort schoonwaterfabrieken. Het water dat het
terrein verlaat, is schoner dan het water dat werd aangevoerd. En in de
tussentijd is het ook nog ingezet als proceswater bij de productie van auto’s,
kantoorstoelen of sportschoenen.

Hype

Vorig jaar zond de VPRO op televisie een indringend portret uit van het duo,
dat onder andere de Ford-fabrieken in Detroit voor 2 miljard dollar saneerde en
inmiddels ook is ingeschakeld door de Chinese regering om een ecologisch
verantwoorde oplossing te zoeken voor de enorme huisvestingsopgave van het land.
De documentaire ontketende een heuse hype in Nederland, die inmiddels al drie
gemeenten ertoe verleidde om cradle-to-cradle (C2C) kantorenparken op te zetten.
Venlo meldde zich als eerste. De Limburgse gemeente gaat de Floriade in 2012
vormgeven volgens de principes van het Duits-Amerikaanse duo. Centraal op het
terrein komen groene gebouwen die als voorlichtings- en kenniscentrum gaan
dienen. Ook het bedrijventerrein Greenpark rondom het Floriadeterrein wordt
volgens de cradle-to-cradle principes ingericht. Bovendien gaan vijftig
bedrijven in de regio de cradle-to-cradle principes in hun proces doorvoeren.
Dat gebeurt niet op een overspannen wijze, benadrukt de Venlose wethouder Mark
Verheijen, maar door haalbare doelen te stellen. “Niet voor niets heeft de Kamer
van Koophandel en niet de lokale politiek het voortouw genomen. McDonough en
Braungart houden namelijk oog voor het belang van ondernemers. Het zijn
idealisten, maar wel met een forse dosis realiteitszin. Ze vragen niet het
uiterste van bedrijven die ze adviseren, maar verlangen wel dat ze bereid zijn
elke keer een stapje verder te gaan. Vergeet niet: afval kost geld. Het levert
de meeste bedrijven voordeel op als ze de afvalstromen terugdringen zodra ze
gaan werken volgens cradle-to-cradle.” Na Venlo volgde de gemeente Almere die op
de al langer geplande duurzame woonwijk Cascade het stempel cradle-to-cradle
zette. Twee weken terug voegde Hoofddorp zich in het rijtje. De gemeente lijkt
wel oren te hebben naar de plannen van Volker Wessels en Delta
Projectontwikkeling voor een full-service kantorenpark volgens het
cradle-to-cradle concept. De tekeningen van McDonough laten een waterpartij zien
die als een centrale as door het park loopt, waar water wordt gezuiverd, maar
ook warmte opgeslagen of onttrokken al naar gelang de behoefte. De gebouwen
zullen flexibel indeelbaar zijn om een lange levensduur te garanderen. Jan de
Leeuw van Delta Projectontwikkeling benadrukt dat het complete park door één
architect wordt ontworpen, zodat het geen verzameling losse dozen wordt, maar
een architectonische eenheid die niet heeft afgedaan als er over twintig jaar
een andere wind waait door architectenland. Hoe intensief de inbreng van
McDonough en Braungart wordt kan hij overigens nog niet zeggen. Waarschijnlijk
gaan ze een samenwerking aan met een Nederlands architectenbureau. Op de vraag
waaraan straks te zien zal zijn dat park 20/20 een cradle-to-cradle
bedrijventerrein is, heeft De Leeuw niet direct een antwoord paraat. “Het is
overduidelijk een duurzaam park, met veel water, vegetatiedaken, zonnepanelen,
scheiding van bouwmaterialen en afval en optimale benutting van daglicht. Maar
inderdaad: ook voordat C2C in zwang kwam, kenden we die maatregelen al. De
kracht van C2C schuilt vooral in de overall-filosofie en de nieuwe inspiratie
die ervan uitgaat voor duurzaam bouwen.”

Klacht

Dat cradle-to-cradle niets nieuws zou behelzen is ook de klacht die Onno van
Sandick van het ministerie van VROM regelmatig te horen krijgt. Collega’s van
hem die al twintig jaar bezig zijn met duurzaam bouwen halen er vaak de
schouders bij op. Op een debat vorige week georganiseerd door het Haagse
kunstencentrum Stroom, somde hij moeiteloos zeven veelgehoorde kritiekpunten op.
Maar hij kon ze stuk voor stuk ook goed pareren. Heel veel oog voor energie
lijken McDonough en Braungart op het eerste gezicht niet te hebben. Maar ze
reppen in het boek waarin ze hun ideeën uit de doeken doen wel degelijk over de
voordelen van decentraal opwekken van energie, het gebruik van zonnecellen en
warmtepompen. Ze leggen alleen het zwaartepunt ergens anders. Een ander
kritiekpunt, dat het duo geen rekening houdt met het ruimtebeslag dat menselijke
activiteiten vraagt, houdt volgens Van Sandick evenmin stand. Als producten echt
C2C ontworpen worden, kunnen we met veel minder grondstoffen toe. Het
aantrekkelijke van C2C is volgens Van Sandick vooral de optimistische boodschap
van het duo. “Al Gore bracht natuurlijk vooral een doemboodschap. Het klimaat
verandert; dat is onze schuld en als we er niets aan doen gaan we allemaal ten
onder. McDonough en Braungart stellen daar een inspirerende filosofie tegenover
die mensen niet alleen maar beperkingen oplegt, maar ruimte laat voor
economische groei. En ze tuigen niet alleen verleidelijke redeneringen op, maar
tonen met grootschalige praktijkprojecten ook aan dat die werken.”

Biosfeer en technosfeer

Materialen en producten behoren volgens McDonough en Braungart ofwel tot de
biosfeer ofwel tot de technosfeer. Materialen uit de biosfeer keren na gebruik
terug, composteren en dienen tot voedsel voor allerlei dieren en plantjes.
Materialen uit de technosfeer moeten zo worden ontworpen en behandeld dat ze
daarna 100 procent kunnen worden hergebruikt en weer aan de basis staan van
nieuwe materialen. Materialen moeten dus goed kunnen worden gescheiden en het is
zaak de twee sferen goed uit elkaar te houden, zodat organische producten uit de
biosfeer de technosfeer niet vervuilen en andersom. Misschien wel het beste
voorbeeld van dit principe is het boek ‘Cradle to cradle’ dat McDonough en
Braungart in 2002 uitgaven en inmiddels is uitgegroeid tot een wereldwijde
bestseller. Het is niet gedrukt op papier, maar op kunststoffolie. Er zijn geen
bomen voor gekapt de houtvezels worden niet gemengd met kunststof coatings en om
her te gebruiken hoeft er ook niet te worden gebleekt met chloride. Het boek van
Braungart en McDonough kan worden omgesmolten en weer dienen als grondstof voor
een nieuw boek. Het boek wordt dus weer boek en staat aan de wieg (cradle) van
een nieuw product. Op de conferentie Let’s Cradle in het Mecc in Maastricht die
op 1 november door milieuminister Cramer wordt geopend, verschijnt de
Nederlandse vertaling van het boek.

Van molecuul tot stad

Het cradle-to-cradle gedachtegoed is op verschillende schaalniveaus van
toepassing. Biochemicus Michael Braungart leerde de Amerikaanse architect
William McDonough kennen toen hij begin jaren negentig een kantoor opende van de
organisatie waarmee hij internationale ondernemingen milieuadviezen geeft. Een
jaar later hadden ze samen het adviesbureau MBDC opgericht, dat adviezen geeft
van moleculair niveau tot en met het niveau van stadsplanning. MBDC rekent
chemiebedrijven, autoproducenten, sportschoenfabrikanten en producenten van
bouwmaterialen tot zijn klanten. Het bedrijf heeft ook een
certificeringssystematiek opgezet voor producten en materialen. Waar de overlap
en de verschillen zitten met het Nederlandse dubokeur, dat zich vooral richt op
bouwmaterialen, moet nog in kaart worden gebracht.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels