nieuws

Veiligheid bouwplaats is zaak hoofdaannemer

bouwbreed Premium

Werken in de bouw is riskant. Zo is er sprake van 3,6 keer meer ongevallen dan gemiddeld. Volgens het jaarverslag 2006 van de Arbeidsinspectie veroorzaken gebrekkig toezicht, slechte communicatie en onvoldoende inschatting van risico’s, ofwel falend bouwmanagement, ongeveer de helft van het aantal bouwongevallen. Cor van den Berg pleit voor een grotere verantwoordelijkheid van de hoofdaannemer om deze ontwikkeling een halt toe te roepen.

In vergelijking met andere bedrijfstakken kent de bouwnijverheid een afwijkend risicoprofiel. Het is een bedrijfstak waarbij de werkzaamheden veelal in de open lucht, op een bouwplaats met steeds wijzigende situaties, worden uitgevoerd. Werkzaamheden die bouwvakkers uitvoeren door een gelegenheidssamenstelling: personeel van de hoofdaannemer tezamen met werknemers van onder- en nevenaannemers en zelfstandigen zonder personeel. Gelegenheidssamenstellingen die per bouwfase, soms per dag, wijzigen. Dit mag echter geen excuus zijn om een zoveel hoger risicoprofiel te accepteren.
Biedt het jaarverslag van de Arbeidsinspectie de gewenste handvatten om het werken in de bouw minder riskant te maken? Moeten we ons vooral richten op het verbeteren van het toezicht, de communicatie en het inschatten van risico’s?

Sleutelbegrippen

Een veilige bouwplaats ontstaat niet bij toeval maar moet worden georganiseerd. Het Arbobesluit Bouwproces biedt hiervoor een duidelijke en goed bruikbare structuur met sleutelbegrippen als coördinatie, samenwerking en voorlichting. Sleutelbegrippen waarbij een heldere communicatie onontbeerlijk is. En wat constateert de Arbeidsinspectie? Juist: slechte communicatie!
Zelf zet ik al langere tijd vraagtekens bij het communicatief vermogen van de gemiddelde bouwer. Doeners zijn het, goed in het improviseren. Maar communicatie? Bepaald niet de sterkste kant van de gemiddelde bouwplaatsmanager. In Cobouw van 6 april 2007 (nummer 68) stond het artikel ‘UTA-personeel steeds belangrijker in bouwbedrijf’. Hierin constateert Kees Kok, onderzoeker bij het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB), bij grote bouwbedrijven een afname van het aantal bouwplaatsmedewerkers en een groei van het aantal uta-medewerkers. “Bij grote bouwbedrijven staat gemiddeld tegenover elke twee manjaren bouwplaatspersoneel meer dan een manjaar UTA personeel”. Het gevolg van een ontwikkeling waarbij veel werkzaamheden op de bouwplaats door gespecialiseerde bedrijven worden uitgevoerd. Werkzaamheden die voorheen tot de core-business van het bouwbedrijf behoorden, besteedt men tegenwoordig steeds vaker uit. Logisch dus dat het EIM, een onderzoeksinstituut voor het midden- en kleinbedrijf, de afgelopen tien jaar een verdriedubbeling zag van het aantal bouwondernemingen. Een groei die de bouwsector volgens het EIM vooral te danken heeft aan de opkomst van de zelfstandigen zonder personeel. Het eenmansbedrijf: de kleinst mogelijke bouwonderneming.

Vergrijzing

Een ander probleem dat zich voordoet werd kernachtig samengevat in de kop boven een artikel in Cobouw van 23 februari 2007 (nummer 38): ‘Oost-Europeaan houdt bouwproductie op gang’.
In Nederland zijn steeds minder geschoolde arbeidskrachten te vinden. Door vergrijzing verlaten ervaren bouwvakkers de bouw, terwijl nieuwkomers het steeds vaker na een korte tijd al weer voor gezien houden. Tegelijkertijd zien we de laatste jaren een sterke groei van de bouwproductie. We moeten dus wel over de grens kijken om aan bouwplaatsmedewerkers te kunnen komen. Dit heeft een enorme invloed op de veiligheid van onze bouwplaatsen. Behalve dat we te maken krijgen met bouwplaatsmedewerkers die een totaal ander beeld hebben bij het begrip ‘veilige bouwplaats’, zullen taalbarrières een goede communicatie over veiligheid in de weg staan. En juist daar was het volgens de Arbeidsinspectie toch al niet goed mee gesteld.
De uitvoeringsfase van een bouwproces fragmenteert in een rap tempo. Tegelijkertijd zien we het aantal dodelijke ongevallen toenemen. Verongelukten in 2005 “nog maar” 16 bouwvakkers, in 2006 ging het om 30 dodelijke slachtoffers. Steeds meer kleinere partijen raken betrokken bij de uitvoering van een bouwproject. Zijn grotere bedrijven goed in staat het eigen werkgebied te organiseren, kleinere bedrijven zijn daarbij sterk afhankelijk van de kwaliteit van de samenwerking met anderen; van het organiserend vermogen van de hoofdaannemer. En die hoeft dit organiserend vermogen alleen nog maar aan te wenden voor de V&G-coördinatie. De werkgeversverantwoordelijkheid voor een veilige werkplek heeft zich immers verlegd naar de onderaannemer. Ligt hier niet de sleutel tot de oplossing van het probleem?
Moeten we de hoofdaannemer niet een veel grotere verantwoordelijkheid geven voor de algehele veiligheid op de bouwplaats, inclusief de verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden van de werknemers van de door hem ingeschakelde onderaannemers?
Cor van den Berg
Veiligheidskundige bij Aboma+Keboma, Ede
berg@aboma.nl

Reageer op dit artikel