nieuws

Prijsconcurrentie blijft knelpunt

bouwbreed Premium

De uitkomsten van de conjunctuurmeting van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) wijzen nog in de goede richting. Er is volop werk en veel bedrijven denken meer personeel nodig te hebben. Ook is meer de verwachting dat de afzetprijzen van bouwbedrijven zullen stijgen. De opgaande lijn doet zich al langere tijd voor en je zou dus denken dat de aanbieders op de bouwmarkt, de bouwbedrijven, een sterkere positie hebben verworven. Dat zou dan ook tot uitdrukking moeten komen in de mate waarin deze bedrijven knelpunten in hun functioneren ervaren.

De uitkomsten van de conjunctuurmeting van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) wijzen nog in de goede richting. Er is volop werk en veel bedrijven denken meer personeel nodig te hebben. Ook is meer de verwachting dat de afzetprijzen van bouwbedrijven zullen stijgen. De opgaande lijn doet zich al langere tijd voor en je zou dus denken dat de aanbieders op de bouwmarkt, de bouwbedrijven, een sterkere positie hebben verworven. Dat zou dan ook tot uitdrukking moeten komen in de mate waarin deze bedrijven knelpunten in hun functioneren ervaren.
Opvallend is in dit kader dat in een ander onderzoek van het EIB in het najaar 2006 blijkt dat prijsconcurrentie nog steeds voor meer dan driekwart van de bedrijven als het grootste bedrijfseconomische probleem wordt beschouwd. Als je dit gegeven afzet tegen de nadrukkelijke campagne om bouwbedrijven zich te laten onderscheiden op de verschillende kwaliteiten die men te bieden heeft, is de conclusie teleurstellend. Kennelijk heeft deze campagne nog onvoldoende opdrachtgevers bereikt om bouwbedrijven de ervaring te geven, dat de geboden kwaliteiten de doorslag gaven bij de opdrachtverlening. Dit spoort goed met een andere uitkomst van het onderzoek die het aanbestedingsbeleid als belangrijkste institutioneel knelpunt aanwijst. Voor grote bedrijven vindt zelfs bijna 100 procent dit het geval.
De vraag rijst of opdrachtgevers inderdaad niet goed bij hun hoofd zijn door de prijs nog steeds de doorslag te laten geven bij het geven van opdrachten. Het kan immers ook zo zijn, dat bouwbedrijven producten en diensten aanbieden die maar weinig onderscheidend zijn en ook maar weinig mogelijkheden tot onderscheiding bieden.
Als in de selectie van bedrijven die daadwerkelijk aan een aanbesteding mogen meedoen de kwalitatief minder aantrekkelijk geachte bedrijven zijn weggefilterd, blijft eigenlijk als vanzelfsprekend de prijs als onderscheidend criterium over. Verbeteringen in bedrijfs- en productieprocessen binnen individuele bedrijven worden gekopieerd door andere bedrijven. Iedereen wordt opgeroepen de nieuwe aanpak te volgen. Je moet wel over heel bijzondere vaardigheden beschikken om er met kop en schouder bovenuit te steken. Voor zover dit soort bedrijven bestaat zullen juist deze opdrachten binnenhalen in direct contact met de opdrachtgever. Veel opdrachtgevers die wel aanbesteden kijken overigens ook niet in eerste instantie naar de prijs die zij voor een opdracht moeten betalen. De kwaliteit die men wenst staat voorop en uitgaande van de gedachte dat de deelnemers aan de aanbesteding deze kwaliteit allemaal kunnen bieden, komt de prijs als onderscheidend criterium bovendrijven.
Echt verbaasd kunnen bouwbedrijven overigens niet zijn, dat uiteindelijk de prijs bij het verkrijgen van werk de doorslag geeft. Als zij naar hun eigen praktijk kijken, zien ze dezelfde mechanismen bij de inkoop van materialen en de selectie van onderaannemers. Niet dat voortdurend wordt gewisseld van onderaannemer en toeleverancier, maar de prijs bepaalt de keuze.
In die prijs zit natuurlijk niet alleen het inkoopbedrag, maar ook de after sales en niet te vergeten de betrouwbaarheid van het tijdstip van leveren.
Op de knelpuntenlijst van het EIB staan de loonkosten meestal met stip genoteerd. Daarmee is het beeld compleet. Concurrentie om opdrachten draait om de verkoopprijs, concurrentie om personeel om de inkoopprijs. Het saldo van in- en verkoopprijs bepaalt de opbrengst en het rendement.
Een marge van 3 à 4 procent voor het echte bouwen geldt door de jaren heen als een mooie uitkomst. De opgaande conjunctuur beperkt meestal de marge, omdat de verkoopprijs op een ontspannen markt is gebaseerd en de inkoopprijzen in een meer gespannen markt moeten worden betaald. Omgekeerd leidt een dalende conjunctuur tot een (tijdelijke) verbetering van de marges. De conjunctuurbeweging weerspiegelt zich ook in het verloop van de knelpunten.
Adri Buur
Buur Consultancy, Hoorn
a.buur@hccnet.nl

Reageer op dit artikel