nieuws

Instructie mag niet vrijblijvend zijn

bouwbreed Premium

De kantonrechter heeft op 7 december 2006 vonnis gewezen, zaaknummer 148634/ EV Expl 04 – 913 in een civiele procedure van een schilder tegen het bedrijf dat hem had ingeleend. De schilder viel tijdens het verrichten van kitwerkzaamheden van een ladder, raakte hierdoor ernstig gewond en waarschijnlijk blijvend arbeidsongeschikt.

Een tweetal schilders van een uitzendorganisatie was bezig met een particuliere klus, het schilderen van het houtwerk van een twee-onder-één-kapwoning. Dit in opdracht van het schildersbedrijf dat hen had ingeleend (verder werkgever genoemd). Op de dag van het ongeval in 2001 was één van hen bezig om staande op een ladder een kitvoeg aan te brengen tussen het metselwerk van een kopgevel en het dakoverstek. Hierbij is hij komen te vallen en op het onderliggende stenen terras terechtgekomen. Zijn collega was op dat moment aan de voorgevel aan het werk, op een rolsteiger, en had niets van het ongeval gemerkt. Het slachtoffer kon zich van het ongeval niets herinneren, ook niet van de omstandigheden waaronder het gebeurde. Door een te late melding vond het onderzoek van de Arbeidsinspectie pas een week later plaats. De inspecteur stelde op de plaats van het ongeval vast, dat er geen reden was om proces-verbaal op te maken. Het later volgende (summiere) rapport bevatte, naar later bleek, niet correcte informatie over de lengte van de ladder en geen informatie over de maximale werkhoogte van de uit te voeren werkzaamheden.

Rolsteiger

De werkgever had voor dit werk een ladder en een rolsteiger ter beschikking gesteld, maar gaf niet aan waar ze welk arbeidsmiddel zouden moeten gebruiken. Tijdens een bezoek op de laatste werkdag voor het ongeval zag de werkgever dat aan de kopgevel vanaf de ladder werd gewerkt. Hij heeft toen aangegeven, dat voor de kopgevels beter de rolsteiger kon worden ingezet. Ongeveer 5 jaar na dato bleek dit een cruciaal punt te zijn. Een in 2006 door de rechtbank ingeschakelde veiligheidskundige stelde na onderzoek vast dat de gebruikte ladder voor een gedeelte van het werk te kort was. Het bewerken van het hoogstgelegen gedeelte van het dakoverstek cq boeiboord (in de omgeving van de nok) was niet mogelijk zonder de bovenste (verboden) sporten van de ladder te betreden. Indien de inspecteur van de Arbeidsinspectie dit destijds had vastgesteld, had dit jaren procederen gescheeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is de werkgever toerekenbaar tekortgeschoten in zijn verplichtingen op grond van zijn zorgplicht. Deze zorgplicht vloeit voort uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658 BW). De motivering luidt, dat het gebruik van de ter beschikking gestelde ladder in aanmerkelijke mate de kans heeft verhoogd dat het slachtoffer van de ladder zou vallen, met ernstig letsel als gevolg. Dit op basis van de feiten: de ladder kon tijdens de kitwerkzaamheden slechts met één hand worden vastgehouden; het dakoverstek liep schuin omhoog en kon vanaf de ladder niet (op veilige wijze) tot bovenaan toe worden bestreken en de ondergrond was van steen. De werkgever had zijn instructie om aan de kopgevel een rolsteiger in te zetten een dwingend karakter moeten geven en had ook moeten toezien op naleving van deze instructie. De kantonrechter baseert één en ander op voorschriften uit de Arbo-wet. Dat het slachtoffer de arbowettelijke verplichting had om zijn werkgever te melden dat de ladder voor het werk niet geschikt was, doet hieraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. In zaken zoals deze weegt de schending van de door de werkgever geschonden norm zwaarder dan de schending door de werknemer, tenzij er sprake is van bewuste roekeloosheid van de zijde van de werknemer.

Roekeloosheid

De werkgever voerde enkele argumenten aan die volgens hem wijzen in de richting van bewuste roekeloosheid van het slachtoffer. De werknemer koos er immers zelf voor om de ladder en niet de rolsteiger te gebruiken. Hij had de nodige ervaring maar koos er desondanks (wellicht) zelf voor om de verboden bovenste sporten te betreden en/of te ver zijwaarts te reiken. De kantonrechter is een andere mening toegedaan: van bewuste roekeloosheid is pas sprake wanneer aangetoond is dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan de betreffende gedraging daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter ervan. Hierbij moet de werkgever bovendien rekening houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie de werknemer er makkelijker toe zal brengen niet alle voorzichtigheid in acht te nemen. De kantonrechter acht de werkgever aansprakelijk voor alle door het slachtoffer geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De omvang hiervan wordt in een aparte procedure vastgesteld.

Arbocatalogus

Je kunt je afvragen hoe de Arbeidsinspectie zich zou opstellen, indien dit ongeval zou zijn gebeurd na de invoering van de nieuwe ladderregels in juli 2006. Ten tijde van het ongeval was het werken vanaf ladders gemeengoed en wettelijk gezien was er, ook volgens de inspecteur, geen reden om handhavend op te treden. Echter sinds juli 2006 worden werkgevers geacht om waar dat redelijkerwijs mogelijk is veiliger arbeidsmiddelen dan de ladder in te zetten. Zou vandaag de dag louter het gebruik van een (voldoend lange) ladder bij dergelijke werkzaamheden kunnen leiden tot een bestuurlijke boete of tot strafrechtelijke vervolging? De schildersbranche zou zich dezelfde vraag kunnen stellen. Temeer omdat werkgevers en werknemers in de Arbowet nieuwe stijl zelf de middelvoorschriften moeten formuleren, in een zogenaamde arbocatalogus. Dit ongeval toont aan hoe belangrijk de keuze van het arbeidsmiddel kan zijn. Hoe wordt dit onderdeel straks in de arbocatalogus van de schildersbranche genormeerd?
De bestaande brochures over de ladder als werkplek, onder andere die onder auspiciën van VNO/NCW tot stand kwam, bieden nogal wat interpretatiemogelijkheden die alsnog kunnen leiden tot de inzet van een ladder.
Han Knegt, Veiligheidskundige bij Aboma+Keboma, Ede

Reageer op dit artikel