nieuws

‘Gevelbekledingssector leert niet van fouten’

bouwbreed Premium

Gevelpanelen vallen nog vrij regelmatig van gebouwen. Wonderbaarlijk genoeg vielen bij die incidenten in Nederland nog nooit zwaargewonden, maar de aanhoudende incidentenreeks is reden tot ongerustheid. Tijdens de GevelsVisie-bijeenkomst van de SBR blijkt, ‘niet leren van de gemaakte fouten’ een belangrijk probleem te zijn.

“Vallende gevelplaten lijken wel iets van deze tijd te zijn”, meent ir. Anton Tapper, van Façade consulting & engineering tijdens het SBR-seminar op de BouwBeurs donderdag. “Maar in 1973 vielen tijdens een nachtelijke winterstorm ook al 65 glazen platen van het in aanbouw zijnde ‘John Hancock Building’ in Boston.” Betrokken partijen werden door de leverancier contractueel het zwijgen opgelegd, waardoor niemand van de toen gemaakte fouten kon leren.
“Nu, meer dan dertig jaar later, leren we nog steeds heel weinig van gemaakte fouten”, stelt Tapper. “Zo sneuvelen nog steeds regelmatig glazen platen door nikkelsulfide-kristallen. “Dat schademechanisme bij gehard glas is al jaren bekend, en goed te voorkomen met een zogeheten ‘Heat-Soak-test’. In Duitsland is die destructieve test vooraf al lang verplicht, maar in Nederland kiezen we nog steeds liever voor de panelen die een tientje goedkoper zijn, met alle gevolgen van dien.”
Tapper denkt niet dat een bepaald gevelsysteem per definitie beter of slechter is, maar benadrukt het algemene belang van vakmanschap. “Of je nu lijmt of verankert, het moet zorgvuldig gebeuren. Zo moet een lijmnaad ongestoord uitharden en niet ’s nachts bij een storm al kunnen bewegen, want dan hecht de lijm niet goed.”
Voor mechanische bevestigingsmethoden noemt hij aluminium of roestvrijstalen ankers de meest geschikte materialen. “Maar verzinkte bouten bijvoorbeeld niet, want die corroderen te snel, net als een onbehandeld houten onderskelet snel wegrot.”

Winddrukmodel

Ook de beschikbare normen bieden volgens Tapper geen garanties. Als voorbeeld noemt hij de NEN 6702 die voorschrijft aan welke windbelasting een gevel moet voldoen. “Die norm is gebaseerd op een tweedimensionaal winddrukmodel van een dichte gevel. Maar de winddruk kan door kolken over de hoogte van een gebouw sterk verschillen. Bovendien komt de wind via openingen in de gevel ook achter de bekleding en zorgt daar voor onbekende over- en onderdrukken”, stelt Tapper. “Dat probleem is te verhelpen door de spouw te compartimenteren, met drukschotten in de hoeken.”
Ook de verdeling van windsnelheidsgebieden in NEN 6702:2001 vindt Tapper onverklaarbaar. Die verdeling schrijft de grootste windbelastingen alleen voor bij gebouwen in de noordelijke helft van Noord-Holland en de Waddeneilanden. De andere kustprovincies vallen in de middelste belastingcategorie. In de rest van Nederland geldt de laagste windbelasting. Maar een KNMI-studie, die al uit 1965 stamt, laat op basis van meetwaarden een totaal andere windbelastingverdeling zien. Onder andere een smalle kuststrook en Zeeland worden volgens de KNMI het zwaarst belast. “Opvallend is dat Den Haag volgens de KNMI het zwaarst belast wordt, terwijl de badplaats volgens de NEN in de middelste belastingklasse valt”, stelt Tapper. “Het probleem is nog ernstiger bij Bergen op Zoom. Dat valt volgens NEN in de lichtste belastingklasse, maar volgens het KNMI hoort het bij de zwaarste stormgebieden.”
Afsluitend concludeert prof. Mans dat de kennis van veilige gevelbekleding wel aanwezig is, het gaat immers meestal goed. Het is nu alleen de uitdaging om de beschikbare kennis te ontsluiten voor alle partijen.

Reageer op dit artikel