nieuws

Wie is aansprakelijk bij een gebrekkig bouwwerk?

bouwbreed Premium

In het verleden zijn er verscheidene gevallen geweest van instortingsgevaar of instorting van (delen van) opgeleverde gebouwen. Recent voorbeeld is het instortingsgevaar van het Amsterdamse Bos en Lommerplein dat 1 februari 2006 op last van de brandweer in allerijl vanwege het ontstaan van een grote scheur in het dak van de parkeergarage onder het plein ontruimd werd. Tom Bruggink zet de aansprakelijkheid van de contractspartijen van de eigenaar en de aansprakelijkheid van de eigenaar/bezitter uiteen, om afsluitend stil te staan bij de rol van de verzekering.

Wanneer instortingsgevaar dreigt of instorting plaats heeft, kunnen verschillende partijen schade lijden en zal de schade aanzienlijk zijn. Er ontstaat een zoektocht naar de aansprakelijke instantie c.q. persoon, zoals de overheid of de eigenaar, beheerder, aannemer, constructeur of architect.
Voorbeelden van daadwerkelijke instortingen zijn het dak van een supermarkt in Duitsland in februari 2006, het dak van een ijsbaan in Duitsland en het dak van een evenementenhal in Polen in januari 2006, een deel van het vliegveld Orly bij Parijs in mei 2004 en de balkons van een flatgebouw in Maastricht in april 2003.
Wanneer een eigenaar schade lijdt door een gebrek in een bouwwerk, zal deze zijn contractuele wederpartij aanspreken. Dit zal meestal de aannemer, maar soms ook de architect of de constructeur zijn.

Aannemer

Er is een speciale regeling voor aansprakelijkheid van de aannemer in de artikelen 7:759 t/m 7:762 BW, waarin onder meer het herstel van gebreken en de aansprakelijkheid voor materialen en hulpmiddelen worden geregeld. In het BW is er geen aparte regeling voor aanneming van bouwwerken, daar deze contracten bijna altijd worden beheerst door de UAV (Uniforme Administratieve Voorwaarden) 1989. In de UAV wordt echter verwezen naar het oude artikel 7A:1645 BW, waarin wordt geregeld dat de bouwmeesters en de aannemers gedurende 10 jaar aansprakelijk zijn in het geval een gebouw geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling, of zelfs uit hoofde van de ongeschiktheid van de grond. Dit artikel en de daaromtrent ontwikkelde jurisprudentie blijven via een omweg dus alsnog van belang.
De wet kent voor de architect en de constructeur geen specifieke bepalingen. De aansprakelijkheid van deze partijen wordt in de praktijk vaak beperkt op grond van bijvoorbeeld de SR (Standaardvoorwaarden Rechtsverhouding opdrachtgever-architect) 1999 en de RVOI (Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau) 1998, mits rechtsgeldig tussen partijen overeengekomen. Tegenwoordig is het mogelijk om met al deze partijen dezelfde algemene voorwaarden overeen te komen: De Nieuwe Regeling (DNR) 2005. Deze regelt de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever enerzijds en de architect, ingenieur en adviseur anderzijds en beperkt de aansprakelijkheid van de architect/ingenieur/adviseur ook vergaand.

Opstal

Op grond van artikel 6:174 BW (artikel 6:181 BW als het gaat om een bedrijf) is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de gestelde eisen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk jegens derden wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Het betreft een risicoaansprakelijkheid van de bezitter, welke dus geen verwijt hoeft te treffen, noch met het gebrek bekend hoeft te zijn. Mogelijk heeft de eigenaar/bezitter op zijn beurt weer verhaal op de aannemer/architect.
De aansprakelijkheid van de overheid is actueel door onder andere de rampen in Enschede en Volendam. Onder omstandigheden kan de overheid onder gewoon voorbehoud op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn omdat zij niet heeft voorkomen dat een derde gevaar creëerde dat zich ook daadwerkelijk verwezenlijkte. Gemeenten zijn op grond van de Woningwet (Ww) belast met bouw- en woningtoezicht.
Alhoewel een beginselplicht tot handhaving geldt, zal een overheidsorgaan in beginsel slechts aansprakelijk kunnen zijn voor schade in geval van falend overheidstoezicht en/of handhavingsbeleid. Hiervan is sprake bijvoorbeeld in geval van een zeer ernstige mate van tekortschieten, opzettelijk of roekeloos onjuist gegeven adviezen en/of in het geval in redelijkheid meer intensieve controle was geboden. De vraag of het overheidsorgaan op de hoogte was of had moeten zijn van reële en directe bedreiging van het leven van personen is daarbij van belang.

CAR

Ook onzorgvuldige vergunningverlening kan tot overheidsaansprakelijkheid leiden. De schadelijdende partij dient dan echter wel het besluit tot vergunningverlening bestuursrechtelijk aan te vechten! Indien dit niet gebeurt, wordt het besluit namelijk geacht rechtmatig te zijn en kan van de overheid op die grond geen schade meer worden gevorderd.
Is er een aansprakelijke partij gevonden, dan is volgens het preadvies ons huidige systeem van procedures te kostbaar en te onzeker. Verzekering zou hier een oplossing kunnen bieden. Momenteel komen hiervoor de CAR (Constructions All Risks)-verzekering en de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van de aannemer of de adviseur in aanmerking. De eerste is echter beperkt tot slechts materiële schade aan het gebouw en beperkt bovendien de dekking in tijd, variërend van 6 maanden tot 2 jaar. De bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering hanteert meestal het claims made-systeem, dat echter slechts die schade dekt waarvoor de verzekerde tijdens de polisduur aansprakelijk is gesteld en waarvan de verzekeraar tijdens de polisduur op de hoogte is gesteld.

Alternatieven

De beperkingen van bovengenoemde verzekeringen zouden weggenomen kunnen worden door een nieuwe. Deze (verplichte) verzekering zou de belanghebbenden bij gebouwen met een verborgen gebrek, de belanghebbenden bij de belendingen, en het letsel van personen aanwezig in (of in de omgeving van-) die gebouwen moeten verzekeren en zou moeten zijn gericht op volledige schadevergoeding en primaire dekking. Voorts zou de verzekering alleen moeten kunnen worden gesloten op voorwaarde van een inspectie door een onafhankelijke instantie (door verzekeraar aangewezen), zou de duur minimaal 10 jaar en de premie in de bouwsom besloten moeten zijn. De bouw- en verzekeringswereld zouden wellicht samen kunnen onderzoeken of een dergelijk product kans van slagen heeft.
Mr. Tom Bruggink
Advocaat bij DLA Piper Nederland N.V., Amsterdam
Tom.Bruggink@dlapiper.com
Het artikel is geschreven naar aanleiding van het preadvies ‘Privaat- en publiekrechtelijke aansprakelijkheid voor gebrekkige bouwwerken’, door mr. P.J.M. Drion en prof. mr. B.J. Schueler, Amsterdam 2005 voor de Vereniging voor Bouwrecht.

Reageer op dit artikel