nieuws

Hoe ‘fout’ was de bouw in de Tweede Wereldoorlog ?

bouwbreed Premium

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schroomde de Nederlandse bouw niet op grote schaal te werken in opdracht van de Duitse bezetter, zo luidt een verwijt dat ruim een halve eeuw na dato nog geregeld weerklinkt. In haar biografie annex proefschrift van voormalig minister van Openbare Werken en Wederopbouw dr.ir. J. A. Ringers, doet Tessel Pollmann een poging het beeld van de aannemerij in deze periode te nuanceren.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schroomde de Nederlandse bouw niet op grote schaal te werken in opdracht van de Duitse bezetter, zo luidt een verwijt dat ruim een halve eeuw na dato nog geregeld weerklinkt. In haar biografie annex proefschrift van voormalig minister van Openbare Werken en Wederopbouw dr.ir. J. A. Ringers, doet Tessel Pollmann een poging het beeld van de aannemerij in deze periode te nuanceren.
Dr.ir. J. A. Ringers (1885-1965) werd al snel na zijn dood verbannen naar de voetnoten van de vaderlandse geschiedenis. Een roemloos einde voor de man die in 1963 van de stad Rotterdam officieel de eretitel Vader van de Wederopbouw kreeg en die uit zijn levensverhaal naar voren komt als iemand met een imposante loopbaan.

Boeiend

Nadat hij tussen 1902 en 1906 in Delft voor civiel ingenieur studeerde, was hij als Arrondissementsingenieur in Goes en Hansweert verantwoordelijk voor de bouw van de derde Schutssluis, als hoofdingenieur belast met de bouw van de Noordersluis in IJmuiden, was hij directeur-hoofduitvoerder van de Maatschappij tot Uitvoering van de Zuiderzeewerken, directeur Generaal van Rijkswaterstaat, Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw en de Bouwnijverheid en ten slotte minister van Openbare Werken en Wederopbouw. Vooral de voorlaatste functie maakt zijn carrière boeiend. Want als Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw en de Bouwnijverheid – ‘leider van de bouwnijverheid’, aldus Pollmann – was Ringers nog tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken bij de wederopbouw van onder meer Rotterdam. In die hoedanigheid moest hij nauw samenwerken met de bezetter. Dat hij desondanks na de bevrijding niet als collaborateur werd aangemerkt, lijkt daarom opmerkelijk. In werkelijkheid ligt de reden dat Ringers geen beschuldiging van landverraad aan zijn broek kreeg voor de hand.

Cultuurkamer

Ringers toonde niet de geringste sympathie voor de bezetter of de NSB en was geen lid van de Cultuurkamer. Hij bleef op zijn post en zette zich met hart en ziel in voor de wederopbouw. Daarbij botste hij geregeld met zijn naziesuperieuren. Zijn onverzettelijkheid kwam hem duur te staan. In 1943 werd hij gearresteerd en bleef tot het einde van de oorlog in Duitse gevangenschap. Kortom Ringers was het schoolvoorbeeld van een goede vaderlander. Voor de bouw als bedrijfstak ligt dat anders. Al profiteerden niet alle individuele aannemers van de bezettingsmacht, toch wordt de branche verweten niet te hebben geschroomd bij het aannemen van opdrachten van de Nazi’s.
“Als er één bedrijfstak was die van het begin van de bezetting af grote activiteit zou hebben kunnen ontplooien, dan wel de bouwnijverheid”, schreef Lou de Jong in Zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ter illustratie: in 1940 waren in Nederland 50.000 mensen betrokken bij de aanleg van vliegvelden voor de bezetter.
De vraag die hierdoor onherroepelijk opdoemt is: Als Ringers, de leider van de bouwnijverheid, een goede vaderlander was, hoe kan dan de indruk zijn ontstaan dat de sector waaraan hij leiding gaf fout was? De meest voor de hand liggende verklaring is, zoals Pollmann zelf aangeeft, dat Ringers niet in de positie was om aannemers ervan te weerhouden te werken voor de Duitsers.

Begrip

Veel bedrijven stelden economisch belang boven principes. Voor hen was het een zaak van pompen of verzuipen, werken voor de bezetter of failliet gaan. Waarschijnlijk had Ringers begrip voor hun houding. Uiteindelijk werkte hij zelf ook noodgedwongen samen met de Duitsers. Maar kennelijk vond de promovenda of haar promotor die verklaring te simpel. Daarom probeert ze het heersende beeld van de bouwsector tijdens de Tweede Wereldoorlog bij te stellen. Het blijft bij een poging. Eerst stelt Pollmann dat er geen compleet overzicht bestaat van het werk dat Nederlandse aannemers voor de bezetter deden om vervolgens te concluderen dat vooral kleine, veelal malafide aannemers, aan militaire werken bouwden. Dat zou blijken uit een onderzoek van kort na de Tweede Wereldoorlog over de collaboratie van Amsterdamse aannemers. Die constatering roept een nieuwe vraag op: Was het gedrag van de hoofdstedelijke bouwwereld representatief voor de sector als geheel? Pollmann rept er met geen woord over. Bovendien is de constatering dat vooral kleine, onbetrouwbare bouwbedrijfjes voor de Duitsers werkten nogal kort door de bocht als we bedenken dat de bedrijfstak geen moeite had met het in opdracht van de Duitsers aanleggen van vliegvelden en herstellen van bruggen. Kortom, dit deel van Pollmann’s betoog roept vragen op in plaats van ze te beantwoorden.
Ondanks deze zwakke plek heeft Pollmann, voormalig journalist van Vrij Nederland, een helder en zeer gedetailleerd boek geschreven over een markante Nederlander. Nu nog een studie waarin de rol van de bouwsector tijdens de Tweede Wereldoorlog grondig wordt doorgelicht.
Mario Silvester
Redacteur Cobouw

Reageer op dit artikel