nieuws

Respecteren van grenzen welstandstoets

bouwbreed

Regelmatig worden bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geschillen aanhangig gemaakt die betrekking hebben op de welstandstoets. In art. 44 lid 1 van de Woningwet wordt een opsomming van weigeringsgronden gegeven voor een bouwvergunning. Een van deze weigeringsgronden is dat het bouwwerk naar het oordeel van B en W niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In deze bijdrage bespreekt Natasja van Gilst twee geschillen waarin aan de orde komt of het college van B en W op een correcte wijze de welstandstoets heeft uitgevoerd en daarbij de grenzen van de welstandstoets in acht heeft genomen.

In het geschil ABRvS 25 januari 2006, zaaknummer 200501744/1 oordeelde de Afdeling dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. De Afdeling geeft hier echter ook een nadere uitleg van die regel: het college van B en W heeft meer beoordelingsruimte indien de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan niet gedetailleerd zijn aangegeven.
Het volgende doet zich voor: het college van B en W van Giethoorn heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen voor een brug die het mogelijk maakt dat het perceel van de aanvrager van de bouwvergunning met de auto kan worden bereikt. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan laat de bouw van een brug toe.
In het bestemmingsplan is echter niet bepaald, welke breedtemaat ter plaatse ten hoogste is toegelaten. In het bestemmingsplan is bepaald dat bij de aanvraag om bouwvergunning het college van B en W advies inwint van de gecombineerde welstands- en monumentencommissie ‘Het Oversticht’ (hierna: de commissie).
De commissie beoordeelt onder meer de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de aanwezige bebouwing. Op basis daarvan komt de commissie tot de conclusie dat de brug niet voldoet aan de ‘redelijke eisen van welstand’. Met andere woorden; het bouwwerk past niet binnen de aanwezige bebouwing.
De aanvrager van de bouwvergunning voert nog tevergeefs aan dat het welstandsadvies niet had mogen worden gevolgd omdat het bestemmingsplan geen maximale breedtemaat voor bruggen kent. De Afdeling geeft aan dat de welstandstoets zich in beginsel weliswaar dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Maar, zo stelt de Afdeling, het college van B en W heeft meer beoordelingsruimte indien de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan niet gedetailleerd zijn aangegeven. De verwezenlijking van een door het bestemmingsplan toegelaten brug wordt door het volgen van het welstandsadvies op zichzelf niet belemmerd. Nu het bestemmingsplan het belang dient van behoud van de karakteristiek van het beschermde dorpsgezicht, aan welk belang in het kader van de welstandsbeoordeling invulling is gegeven, oordeelt de Afdeling dat het college van B en W de grenzen van de welstandstoets niet heeft overschreden.

Dakopbouw

In het geschil ABRvS 6 september 2006, zaaknummer 2005010577/1 heeft het college van B en W van Almere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dakopbouw. Tegen het verlenen van de bouwvergunning is bezwaar gemaakt, de bezwaarmakers dragen aan dat het college van B en W zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Uitwerkingsplan Literatuurwijk West I’ laat het oprichten van een dakopbouw toe. Het college van B en W heeft zijn welstandsoordeel gebaseerd op een advies van de welstandscommissie Almere.
De bezwaarmakers voeren aan dat iedere dakopbouw uit een oogpunt van welstand onaanvaardbaar is. Voor de Afdeling gaat dit te ver; dit is geen aanleiding voor het college van B en W om niet op het welstandsadvies af te gaan. De bezwaarmakers lichten hun standpunt verder toe met een bericht van een architect. Maar ook dit kan volgens de Afdeling niet tot een ander oordeel leiden, omdat ook dit bericht er toe strekt dat iedere dakopbouw op welstandsbezwaren stuit.

Belemmering

Zoals de Afdeling ook al eerder heeft overwogen (zie de uitspraak hierboven, maar ook bijvoorbeeld ABRvS 28 april 2004 in zaaknummer 200305702/1), dient de welstandstoets in beginsel uit te gaan van de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt en mag deze niet leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van die mogelijkheden. Het argument van de bezwaarmakers dat iedere dakopbouw vanuit een oogpunt van welstand onaanvaardbaar is, maakt dus geen kans. De twee uitspraken die hier aan de orde kwamen maken duidelijk dat de welstandstoets in beginsel moet uitgaan van de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt en niet mag leiden tot een belemmering van de mogelijkheden. Het college van B en W heeft echter meer beoordelingsruimte als de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan niet gedetailleerd zijn aangegeven.
Mr. N (Natasja) van Gilst
Juridisch stafmedewerker/redacteur Instituut voor Bouwrecht(IBR), Den Haag
Voor bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR:
www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels