nieuws

Wegwijzer in het doolhof van regels Bouwrecht voor het uitvoerend bouwbedrijf,

bouwbreed

Onlangs verscheen bij SBR voor de uitvoerende bouw (zeker ook interessant voor andere branches) de zeer nuttige uitgave �Bouwrecht voor het uitvoerend bouwbedrijf�. SBR geeft met deze uitgave de aannemer praktische handvatten om juridische problemen voor te zijn. “Bij de aanvang van een bouwactiviteit zijn opdrachtgever en opdrachtnemer het bijna altijd met elkaar eens: ze […]

Onlangs verscheen bij SBR voor de uitvoerende bouw (zeker ook interessant voor andere branches) de zeer nuttige uitgave �Bouwrecht voor het uitvoerend bouwbedrijf�. SBR geeft met deze uitgave de aannemer praktische handvatten om juridische problemen voor te zijn. “Bij de aanvang van een bouwactiviteit zijn opdrachtgever en opdrachtnemer het bijna altijd met elkaar eens: ze gaan immers tegen een goede prijs een mooi werk maken. (.�.) Ook achten ze de kans bijzonder klein dat er gaande het werk meningsverschillen optreden en als die optreden weten ze die natuurlijk in onderling overleg op te lossen. De praktijk bewijst echter dat het vaak anders verloopt”, aldus ir. W.H. Verburg, projectleider SBR in zijn voorwoord waarmee de noodzaak van deze uitgave direct duidelijk wordt. Hij vervolgt: “Deze publicatie wil de kloof overbruggen tussen enerzijds de belangrijkste juridische regels waar het bouwbedrijf mee te maken krijgt. Het is een wegwijzer in de doolhof van regels (en een �vertaling� van die regels), waarbij de uitvoerende praktijk het vertrekpunt is.”

In de 62 pagina�s tellende goed verzorgde en overzichtelijk ingedeelde publicatie zijn 12 hoofdstukken opgenomen. Daarin worden algemene onderwerpen en meer toegespitste onderwerpen uit de doeken gedaan. Het idee lijkt daarbij geweest te zijn, die onderwerpen te bespreken, die in de praktijk tot de meeste problemen leiden. Het gaat dus niet om een bespreking van dé UAV 1989 of dé UAV-GC 2005, maar hoofdzakelijk om een bespreking van concrete problemen met uitzondering van de eerste drie hoofdstukken.

De eerste drie hoofdstukken hebben namelijk een algemeen karakter. In hoofdstuk 1 wordt het belangrijke onderscheid tussen overheidsrechter en arbitrage behandeld. Hoofdstuk 2 is gewijd aan een overzicht van de soorten contracten die men in de bouw kent: het traditionele model, het Bahama model (dit is het model waarbij de opdrachtgever slechts zijn bouwbehoefte formuleert), het bouwteam model, het geïntegreerde model en tot slot apart genoemd het �Geïntegreerd-plus model�. Onder deze voor mij nieuwe term verstaat de uitgave: het model waarbij het om meer dan uitsluitend een puur bouwcontract gaat. Men is hier aanbeland bij de Build Operate Transfer (BOT) en de Design, Build, Finance and Maintain (DBFM) contracten, zodat duidelijk is wat er met Geïntegreerd-plus wordt bedoeld. Ongetwijfeld is voor de bouwpraktijk hoofdstuk 2 van bijzonder groot belang, want het gaat daar om de weerkerende problematiek van de algemene voorwaarden. Wanneer zijn van die toepassing en wanneer moeten die ter hand gesteld worden? Wie hier als gebruiker van voorwaarden fouten mee maakt, zal zich geconfronteerd zien met bijvoorbeeld een aansprakelijkheid die ver boven zijn algemene voorwaarden uitgaat en ook andere consequenties die juist in de algemene voorwaarden anders waren geregeld. Het is dan ook correct dat er in het boek aandacht wordt besteed, al was het juridisch juister geweest om de toepasselijkheidsvraag te bespreken vóór het onderwerp van de ter hand stelling. De conclusie op pagina 21 rechterkolom herhaal ik hier maar even: “In de bouw moeten de algemene voorwaarden altijd ter hand gesteld worden”! De hoofdstukken 4 tot en met 12 zijn aan concrete problemen gewijd. Ik noem: de tegenstrijdigheid van contractstukken en (precontractuele) waarschuwingsplicht (hoofdstuk 4); verplichtingen van partijen in het bouwproces (hoofdstuk 5); de beëindiging van de overeenkomst (hoofdstuk 6); bouwtijd en de gevolgen van vertraging (hoofdstuk 7); aansprakelijkheid tijdens de uitvoering (hoofdstuk 8); onderaannemers, nevenaannemers, bouwstoffen en leveranciers (hoofdstuk 9); meer en minder werk, bestekswijzigingen, stelposten (hoofdstuk 10), oplevering, onderhoudstermijn en aansprakelijkheid (hoofdstuk 11) en tot slot hoofdstuk 12: opschortingsrechten. Het voert te ver op deze hoofdstukken in te gaan. In de verschillende hoofdstukken worden steeds aan de hand van de relevante UAV 1989, AVA 1992 en AVV 1998 de uiteenlopende vragen die in de praktijk aan de orde komen, besproken. De uiteenzettingen zijn kort en krachtig met verwijzingen naar jurisprudentie en in kaders wordt aparte aandacht gevraagd voor vooral praktische aspecten. Zo wordt bijvoorbeeld op pagina 49 in zo�n kader een voorbeeld van saldo minder werk gegeven.

Ik heb wel kritiek: de UAV-GC 2005 krijgt geen aandacht. Dat vind ik een gemis en waar – als ik het goed zie – geen reden voor wordt gegeven. Het doet echter niets af aan de bruikbaarheid van dit boek (ook voor degenen die niet in het uitvoerend bouwbedrijf werkzaam zijn). Ik hoop dan ook dat het snel uitverkocht zal zijn, zodat bij een herdruk de UAV-GC 2005 meegenomen kan worden. Kortom, ik beveel dit boek van harte aan bij iedereen die vanuit een niet juridische achtergrond kennis wil hebben van dagelijkse juridische vragen.

ISBN 10:90-5367-414-4, is uitgegeven door SBR en te bestellen onder vermelding van artikel nummer

543.05 tegen

betaling van 39,95 euro.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels