nieuws

Jo Coenen provoceert met De kunst van de versmelting

bouwbreed

Onlangs sprak de voormalig rijksbouwmeester prof.dr.ir. Jo Coenen zijn intreerede �De kunst van de versmelting� uit aan de TU- Delft, faculteit Bouwkunde Coenen is hoogleraar Restauratie. Hij is minder gecharmeerd van een discipline als het bouwmanagement dan van het traditionele architectuurvak. Daarbij spreekt hij van een marginalisering van het prachtige vakgebied architectuur ten opzichte van […]

Onlangs sprak de voormalig rijksbouwmeester prof.dr.ir. Jo Coenen zijn intreerede �De kunst van de versmelting� uit aan de TU- Delft, faculteit Bouwkunde Coenen is hoogleraar Restauratie. Hij is minder gecharmeerd van een discipline als het bouwmanagement dan van het traditionele architectuurvak. Daarbij spreekt hij van een marginalisering van het prachtige vakgebied architectuur ten opzichte van onder andere bouwmanagement. Verder is hij van mening dat de huidige architectuur verschraald is en ziet hij in het buitenland een groter besef en waardering van de geschiedenis. Monika Chao Duivis onderschrijft dat niet allemaal zomaar. Maar anderzijds: waar is de wetenschap zonder provocatie?

“Daarom beweren zij dat het behoud van deze wereld een voortdurende schepping is en dat de woorden �behoud� en �scheppen�, hier beneden zo vijandig, in de hemel synoniemen zijn.” Deze mooie woorden van de Argentijnse schrijver Borges haalde Coenen aan om kracht te zetten bij zijn betoog dat wij niet moeten denken in termen van tegenstelling tussen oud en nieuw. Verleden, heden en toekomst dient de restauratiewetenschap en -toepasser (zo voeg ik daar aan toe) voortdurend met elkaar in verbinding te zien. Vandaar de titel van zijn rede: de kunst van de versmelting.

De leerstoel restauratie is, zet Coenen uiteen, hard nodig. De actuele bouwpraktijk wordt meer dan ooit, zo zegt hij, door no nonsens pragmatiek van management over tijd, geld, claims en dubbelchecks.

Coenen laat het niet bij alleen kritiek op anderen, ook de eigen meer directe vakbroeders moeten er aan geloven: “Nu de architect kunstenaar aanstellerig en hyperventilerend in zijn eigen netten verstrikt raakt, verbleekt tegelijkertijd onze kennis van de bouwkunst en verdampt de positie van het bouwmeesterschap.” Weliswaar wordt er minutieus gewerkt aan talloze historische monumentale objecten, elders zijn er grotere branden te blussen van onmetelijke omvang. De talrijke interventies aan de historische binnensteden en de haast ongemerkte transformaties van het Nederlandse silhouet waar vergezichten, landschappen en stads en dorps silhouetten dagelijks onder vuur liggen. Samenhangende plannen daarvoor ziet Coenen niet lukken; overheid en markt pakken dit niet. Alleen de Academische Orde is er nog als laatste niche om deze problematiek op te pakken. Kan gezien deze constateringen nog wel van de kunst der versmelting gesproken worden? Coenen meent van wel en hij geeft vervolgens vier redenen waarom hij de benoeming aanvaardde. De eerste is redelijk pragmatisch: tweederde van de bouwopgaven zal bestaan uit transformatieopgaven op alle schaalniveaus. De houding van de beroepsgroep is passief, in het beste geval defensief, maar zeker niet offensief. Hier ligt dan ook de eerste aanleiding.

De tweede is dat de tegenstelling tussen architectuur en stedenbouw overbrugd moet worden evenals die tussen de nieuwbouwarchitect en de restauratiearchitect. Er is een wijziging in de attitude van de architect en de ruimtelijke ontwerper nodig. Waar kan die beter plaats krijgen dan in een wetenschappelijk opleidingsinstituut.

De misschien wel belangrijkste reden is de noodzaak van de verbreding van het werkveld restauratie zelf. Restauratie schiet zijn doel voorbij wanneer zij in hoofdzaak wordt vereenzelvigd met de minutieuze bemoeienis met het monument. Dit aspect moet blijven maar ook verbreed.

Tot slot denkt Coenen dat de ontwikkeling van de bouwkunst, de sensitiviteit voor de bouwkunst, op geen betere plek kan worden ontwikkeld dan binnen het breed opgevatte vakgebied restauratie.

Wat gaat Coenen doen met de leerstoel? Het vak valt uiteen in drie werkterreinen: Modificatie over het schaalniveau van het materiaal tot aan het gebouw, Interventie over het gebouw tot aan het ensemble en Transformatie over het schaalniveau van het ensemble tot aan het silhouet, het stads- en dorpsgezicht en het landschap. Tezamen vormen deze drie terreinen het internationale Kenniscentrum MIT. Er zal onderwijs worden verzorgd, onderzoek en begeleiding van promovendi in een omgeving waar veel waarde gehecht wordt aan contact met de beroepsgroep. Wat betekent dit concreet? Het Kenniscentrum zal gaan bezighouden met ontwikkeling van innovatieve modificatie- en conserveringstechnieken, strategieën voor interventies in gebouwen, gebouwensembles en de stad en de kwaliteitsborging bij de transformatie van de gehele gebouwde omgeving.

Het Kenniscentrum wordt opgezet als een netwerkorganisatie, met contacten in het netwerk van de TU Delft en de Faculteit Bouwkunde, met de TU Eindhoven, Erfgoeddiensten, Stichting Dom van der Laan, DOCOMOMO, KEI, KGGS, Architectuur Lokaal en met internationale zusterinstituten en universiteiten. Er wordt met name ontwerponderzoek gedaan (research by design) en wel multidisciplinair. De rede van Coenen is provocerend doordat hij geaccepteerde opvattingen – ook over vakgebieden die niet de zijne zijn – op de schop neemt. Maar zijn rede getuigt wel van een passie voor het vak bouwkunde. Dat zal soms door anderen als hinderlijk worden ervaren, maar ik zou willen zeggen: neem er een voorbeeld aan.

Natuurlijk ben ik het niet eens met zijn kritiek op de �doublechecks�. Er zijn te veel voorbeelden waaruit blijkt dat er nog wel meer gechecked zou mogen worden en dat de studenten dat besef in hun opleiding nog veel vroeger en op een veel breder terrein mee zouden krijgen. Maar het kan geen kwaad bij die noodzakelijkheid (evenals bij andere voor vaststaand aangenomen waarheden) eens een – bovendien mooi geformuleerd – vraagteken geplaatst te zien.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels