nieuws

Uitleg van een overeenkomst niet zo eenvoudig

bouwbreed

Wat houdt een overeenkomst in? Met deze uitlegvraag ziet menig arbiter en rechter zich gecon- fronteerd. Contractopstellers beogen duidelijkheid, zo mag toch worden aangenomen, maar duidelijkheid wordt niet altijd bereikt. In zo�n geval ontstaat er een twist tussen partijen. Hoe moet dan te werk worden gegaan? De hoofdregel, waaraan rechters en arbiters zich houden bij […]

Wat houdt een overeenkomst in? Met deze uitlegvraag ziet menig arbiter en rechter zich gecon-

fronteerd. Contractopstellers beogen duidelijkheid, zo mag toch worden aangenomen, maar duidelijkheid wordt niet altijd bereikt.

In zo�n geval ontstaat er een twist

tussen partijen. Hoe moet dan

te werk worden gegaan?

De hoofdregel, waaraan rechters en arbiters zich houden bij het uitleggen van overeenkomsten treft men aan in het beroemde Haviltex arrest, Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 635. In dit arrest werd overwogen: de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding is geregeld en of er een leemte is, kan niet beantwoord worden door alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen. Het komt er ook op aan welke zin hoe partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen ze van elkaar mochten verwachten. Het gaat er dus niet alleen om wat er letterlijk staat, maar ook om het verwachtingspatroon dat partijen over en weer hadden.

De overeenkomst met een aannemer, met een constructeur of met een architect staat vaak niet alleen. Een opdrachtgever die een gebouw wil realiseren, dient daartoe met een veelheid aan specialisten een overeenkomst aan te gaan.

Als er nu een twist is over wat bijvoorbeeld de overeenkomst met de constructeur inhoudt, mag dan gekeken worden naar die andere overeenkomsten die de opdrachtgever met bijvoorbeeld de aannemer heeft gesloten? Het is niet onzinnig om te betogen dat iedere overeenkomst op zich bekeken moet worden en dat de andere overeenkomsten, die weliswaar op het zelfde object/bouwwerk betrekking hebben, daar buiten staan. Dit standpunt werd desalniettemin verworpen door het Hof Amsterdam in een zaak van 17 november 2005, rolnummer 823/04. Een opdrachtgever had verschillende opdrachten gegeven. Een daarvan is aan een constructeur aan wie was opgedragen om onder meer een damwandconstructie met stempeling te tekenen. Niet expliciet is opgedragen om de fundering van het belendende pand te controleren. De opdrachtgever stelt nu dat de constructeur ook gehouden was in verband met de plaatsing van de damwand de fundering van het belendende pand te onderzoeken. Daartoe stelt hij onder andere dat geen betekenis mag worden toegekend aan de contractuele verhoudingen met andere bij het werk betrokken uitvoerders.

Het hof is het, met de rechtbank, met die stelling van de opdrachtgever niet eens. Het hof neemt als uitgangspunt dat aan de hand van alle relevante omstandigheden dient te worden nagegaan wat partijen redelijkerwijs van elkaar in het kader van de overeenkomst mochten verwachten.

Voor de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst is mede van belang de contractuele verhoudingen van de opdrachtgever met andere bij het werk betrokkenen en de wetenschap daarvan bij de constructeur, ook indien deze verhoudingen eerst ontstaan zijn na de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen. Dit betekent, aldus het hof, dat inhoud van de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de constructeur ook medebepaald wordt door het op het werk betrekking hebbende bestek waarvan de inhoud beide partijen bekend was. In dat bestek was de aannemer opgedragen om te zorgen voor een rapport van de staat waarin de �onderstaande belendingen verkeren�.

Ook moest de aannemer de hulp inroepen van een onderaannemer, die op haar beurt weer een bepaald ingenieursbureau (specialist in funderingen) moest inschakelen. Dat deze onderaannemer en het ingenieursbureau zijn ingeschakeld, wordt aangenomen. Uit deze gang van zaken, zo vervolgt het hof dan, volgt dat de risico�s verbonden aan het ontwerpen en plaatsen van de damwand door de aannemer moesten worden ingeschat. In ieder geval lag dit niet op de weg van de constructeur. Veeleer mocht de constructeur er van uit gaan dat dit door of namens de aannemer was gedaan alvorens de constructeur het ontwerp van de damwandconstructie had vervaardigd.

Terughoudendheid

Twee aspecten vallen op. Dat bij de uitleg van een overeenkomst, welke overeenkomst er een is van meer overeenkomsten inzake een zelfde bouwwerk – hetgeen bij partijen bekend is – mede van belang is, wat in die andere overeenkomsten werd afgesproken, acht ik niet onverdedigbaar. Het gaat in de bouw nu eenmaal vaak om op elkaar voortbouwende overeenkomsten, waarbij de kennis van de eerdere overeenkomst als kennisgeving wordt aangenomen door partijen.

Terughoudendheid is echter wel op zijn plaats om andere overeenkomsten te betrekken bij de uitleg van een bepaalde overeenkomst. Er is immers geen (expliciete) wilsovereenstemming wat betreft die andere overeenkomsten en de relevantie daarvan betreffende de andere overeenkomst. Dit geldt eens te meer als gaat om overeenkomsten van later datum. Het tweede aspect is dat deze uitspraak maar weer eens laat zien, hoe belangrijk is om de activiteiten en de overeenkomsten onderwerp van coördinatie te laten zijn.

Prof. mr. dr. M.A.B. Chao-Duivis

Directeur Instituut voor Bouwrecht (IBR), Den Haag en hoogleraar

bouwrecht TU Delft

Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR: www.ibr.nl/actueel.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels