nieuws

Dozenstroop

bouwbreed

Het RPB-rapport �Bloeiende bermen� heeft veel aandacht getrokken. En niet omdat de bermen van de snelwegen zo prachtig zijn. Integendeel, het stoort veel mensen dat het Nederlandse landschap steeds vaker schuilgaat achter rommelige bedrijventerreinen. Wie van Den Haag tot de Duitse grens de A12 volgt, passeert een schier eindeloze rij aan gebouwen, optrekjes, huizen, kassen […]

Het RPB-rapport �Bloeiende bermen� heeft veel aandacht getrokken. En niet omdat de bermen van de snelwegen zo prachtig zijn. Integendeel, het stoort veel mensen dat het Nederlandse

landschap steeds vaker schuilgaat achter rommelige bedrijventerreinen. Wie van Den Haag tot de Duitse grens de A12 volgt, passeert een schier eindeloze rij aan gebouwen, optrekjes, huizen, kassen en vooral dozen op bedrijventerreinen. Het was dan ook niet verwon-

derlijk dat het kamerlid Co Verdaas de studie van het RPB meteen aangreep om in Trouw een fel pleidooi te houden voor behoud van het Nederlandse landschap. Het was een opvallend geluid, een geluid dat we in de ruimtelijke ordening de laatste jaren node hebben gemist. Immers, een visie op de visuele kwaliteit van het landschap treft men in de nota Ruimte niet of nauwelijks aan. De inrichting van de ruimte moet volgens die nota vooral bijdragen aan een verbetering van de Nederlandse economie. Maar zijn al die bedrijventerreinen economisch gezien nu wel te prefereren? Mag ik eens het tegendeel beweren: de dozenstroop langs de Nederlandse snelwegen is niet alleen een enorme aantasting van het landschap, ook economisch gezien is het onwenselijk! Ik leg hierna uit waarom. Dus zelfs in lijn met het beleid van dit kabinet zouden deze goedkope bedrijventerreinen moeten worden bestreden.

Natuurlijk: de hedendaagse economie is vaak geënt op vervoer, en veel bedrijven profiteren dan ook van hun bereikbaarheid via de vele op- en afritten van de Nederlandse snelwegen.

Veel bedrijven hebben bovendien groot voordeel van de lage grondprijzen die gemeenten op hun prachtige zichtlocaties vragen. Maar daarmee beginnen ook de nadelen voor de economie.

Ten eerste: de gemeenten concurreren zo heftig met elkaar om elke willekeurige timmerfabriek dat de grond voor veel te lage prijzen van de hand gaat. Daarvan kunnen individuele bedrijven bij de koop van grond voordeel hebben, maar tegelijkertijd moeten die kosten wel ergens worden verhaald. De concurrentie tussen gemeenten drukt dus op de publieke middelen die burgers en bedrijven moeten opbrengen.

Ten tweede: omdat de grond op al die bedrijventerreinen zo goedkoop is, worden bedrijven nauwelijks geprikkeld om bij te dragen aan het onderhoud van de terreinen. Het is immers veel goedkoper om na tien jaar naar een nieuw terrein te verhuizen, en de rommel voor de overheid achter te laten. Daarmee betalen de gemeenten toch een dure prijs voor hun onderlinge concurrentiestrijd. En ook herstructureringskosten drukken straks – en in veel gevallen nu al – op de Nederlandse economie.

Ten derde: omdat de grondprijzen op bijna alle bedrijventerreinen even laag zijn, vindt er geen ruimtelijke uitsortering van bedrijven plaats. Kwalitatief hoogstaande bedrijven moeten niet vreemd opkijken de al genoemde plaatselijke timmerfabriek als buurman te krijgen.

We kennen allemaal het voorbeeld van het zogenaamde brainpark in Rotterdam naast de Erasmus Universiteit, dat pijlsnel was verkocht aan enkele willekeurige voorbijgangers die totaal geen verwantschap met de universiteit voelden. Zo gaat het zo vaak: waar je zou wensen dat de betere bedrijven de beste plekken zouden krijgen, werkt de grondmarkt zo slecht dat die uitsortering niet plaatsvindt, met alle nadelige economische gevolgen van dien. En ten slotte: is niet ook de kwaliteit van het landschap een economische factor?

Willen mensen niet juist in een aantrekkelijk landschap wonen en is het voor de hedendaagse bedrijven niet heel belangrijk om zich in de buurt van een ruime arbeidsmarkt te vestigen? Inderdaad, die �ouderwetse� belevingswaarde is ook voor de economie van groot belang. We hoeven dus niet op een ander kabinet te wachten alvorens die smerige dozenstroop aan te pakken.

Prof.dr. Wim Derksen

Directeur van het Ruimtelijk Planbureau, Den Haag

column@rpb.nl

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels