nieuws

Transparantie vereist bij publiek-private samenwerking

bouwbreed Premium

Recent onderzoek naar de omvang van publiek-private samenwerking in ons land door Royal Haskoning bevestigde nog eens het beeld van een wijdvertakt fenomeen, dat bij publieke partijen steevast op enige achterdocht mag rekenen. Zeer ten onrechte, volgens Bert Wolting .

Recent onderzoek naar de omvang van publiek-private samenwerking in ons land door Royal Haskoning bevestigde nog eens het beeld van een wijdvertakt fenomeen, dat bij publieke partijen steevast op enige achterdocht mag rekenen. Zeer ten onrechte, volgens Bert Wolting .
Als voldaan wordt aan de juridische eisen ontstaat bij gebiedsontwikkeling een juiste balans tussen ondernemerschap en democratische controle.
Publiek-private samenwerking en gebiedsontwikkeling staan tegenwoordig weer in het middelpunt van de belangstelling. Deels door affaires (enquête bouwfraude 2002), waardoor overheden het moeilijk vinden om een gepaste communicatie te vinden met marktpartijen: wat kan, wat moet en wat mag niet meer? Deels door een nieuwe (regie)rol van rijk en provincies in het kader van ontwikkelingsplanologie en gebiedsontwikkeling, waardoor deze partijen naast een contolerende taak ook meer regie nemen bij grote gebiedsontwikkelingen en daarmee ook kennis willen nemen van het samenwerken met de markt.

Staatssteun

Er is kortom sprake van een nieuwe uitdaging, een nieuwe dimensie, voor publieke en private partijen, waarbij, vooral ook extern, scherp gekeken zal worden naar de publiekrechtelijke inkadering van pps-convenanten. Immers, het samenwerken of participeren in ontwikkelingsmaatschappijen kan alleen dan plaatsvinden wanneer voldaan wordt aan alle regels op het gebied van aanbesteding, staatssteun en mededinging.
Voor alle overheidsopdrachten – dus ook voor opdrachten onder de huidige financiële drempel van 5.2278.000 euro (voor werken) – geldt het non-discriminatie beginsel en het transparantiebeginsel. Dit betekent dat de aanbestedende diensten in principe geen onderscheid mogen maken tussen aanbieders met dezelfde kwaliteiten en dat het geven van opdrachten voor overheidswerken publiekelijk kenbaar moet zijn.
Bij gebiedsontwikkelingsprojecten gaat het bijvoorbeeld om bodemsanering, de aanleg van waterberging of groenvoorzieningen, de bouw van openbaar toegankelijke parkeergarages of de aanleg van infrastructurele voorzieningen.
Zolang deze regels – en ook die van de EG op het gebied van staatssteun en de NMa – die toeziet op een eerlijke concurrentie op de Nederlandse markt – worden nageleefd ontstaat een goede basis voor economische groei en democratische controle. Daardoor wordt publiek-private samenwerking een must om op een efficiënte wijze grootschalige projecten tot stand te brengen die inhoud geven aan de ruimtelijke opgaven waarvoor de samenleving staat. In de nota Ruimte – maar zeker ook in de rijksnota’s over mobiliteit en het regionaal-economisch beleid – wordt immers een dringend appèl gedaan aan publieke en private partijen om samen te werken. Het pps-instrumentarium zou daarbij een beslissende rol moeten spelen, tenminste als voldaan is aan enkele randvoorwaarden. Die randvoorwaarden hebben in ieder geval betrekking op de juridische, organisatorische en financiële doelstellingen, maar ook andere factoren, zoals het maatschappelijk draagvlak of het mentale commitment van betrokken partijen aan het samenwerkingsproject, spelen daarin een rol.

Affaires

Helaas vinden de discussies over de maatschappelijke en economische meerwaarde van publiek-private samenwerking nog steeds plaats vanuit een schromelijk gebrek aan kennis, inzicht en ervaring.
De beeldvorming – ook in bestuurlijke kringen – over pps wordt gevoed door affaires, zoals rond de bouwfraude, en minder geslaagde bouwprojecten. Daardoor komt het concept van deze vorm van samenwerking nog onvoldoende tot zijn recht, terwijl juist door de nieuwe regierol van provincies en rijksoverheid behoefte is aan sterkere samenwerking met marktpartijen in het kader van ontwikkelingsplanologie en gebiedsontwikkeling.
Professionalisering en verdere kennis- en ervaringsuitwisseling zullen broodnodig zijn om op korte termijn aan de ambities van de overheid te voldoen. Het lijkt mij dat daarin ook het voormalige Kenniscentrum PPS – nu de afdeling pps en asset management – van het Ministerie van Financiën een actieve rol zou moeten spelen. Er valt immers nog veel te leren en te experimenteren, zeker ook voor de bouwsector.
Drs. Bert Wolting is oprichter/partner van Akro Consult en auteur van de recent uitgekomen uitgave ‘PPS en gebiedsontwikkeling; editie 2006’, Sdu Uitgevers, Den Haag, ISBN 9012115094, 214 pagina’s, 41,50 euro.

Reageer op dit artikel