nieuws

Modernisten voeren een achterhoedegevecht

bouwbreed

De Nederlandse stedenbouw is volgens Jan den Boer weer spannend. De opleving uit de jaren 90 vertaalt zich in verrassende nieuwbouwprojecten die nu daadwerkelijk van de grond komen. Het dogmatische neo modernisme uit de jaren daarvoor is vervangen door veelzijdige en rijke woonwijken en stadscentra.

De woonwijken van de jaren 60, 70 en 80 kun je bijna letterlijk herkennen als jaarringen rond de steden. De flats uit de jaren 60, de woonerf wijken uit de jaren 70 en de wat saaie maar al wel meer gevarieerde neo moderne wijken uit de jaren 80. De wijken en stadscentra die nu gebouwd worden krijgen een eigen gezicht.

Integratie

Het nieuwe centrum van Almere van Koolhaas is een supermoderne omgeving die helemaal past bij een nieuwe stad in de polder die een eigen gezicht wil creëren. Krier bouwt juist heel romantische stadsdelen: de Resident in het centrum van Den Haag en Brandenvoort bij Helmond. En op het Amsterdamse Java eiland is het Soeters gelukt om een fascinerende integratie te bewerkstelligen tussen het moderne en romantische idioom. Wat is er veranderd in de stedenbouw, dat deze rijkdom aan vormentaal mogelijk geworden is? Wat zijn de legitimerende verhalen waarmee deze nieuwbouw beargumenteerd wordt? Er lijkt een soort evenwicht te ontstaan tussen de verschillende betrokken partijen. Overheid en markt zijn gedwongen tot overleg met elkaar en maken daar dikwijls iets moois van. De architecten en stedenbouwkundigen die hun macht zowel als ontwerper als in welstand georganiseerd hadden zijn een belangrijk deel van deze macht kwijtgeraakt en kunnen niet meer hun neo moderne ideologie eenzijdig opleggen. De belangrijkste verandering is misschien dat het weer over mooi en lelijk mag gaan. Lange tijd was dit een taboe onderwerp, omdat die toch niets zinvols over gezegd kan worden, en werd het bouwen vooral bepaald door het functionalisme. Door de grotere invloed van de markt is mooi en lelijk weer terug, zowel in kitsch en retro als af en toe ook in een daadwerkelijke schoonheid. Voor de elite die lange tijd onze gebouwde omgeving bepaalde is deze nieuwe werkelijkheid moeilijk te accepteren.

Cynisch

Het is boeiend om de inleiding te lezen van het Jaarboek Architectuur in Nederland 2005-2006, van het Nederlands Architectuur Instituut. De vier schrijvers zijn op reis gegaan door Nederland en hebben een bijzonder cynisch reisverslag geschreven. Ze stellen dat ze geen theoretische keuzes meer maken, maar de hele ondertoon van de inleiding ademt een sfeer waarin iedereen die niet de modernistische en functionele lijn volgt zich heeft laten manipuleren door de markt, illusies en decoratie.
Ze schrijven over groot en klein geluk voor de nieuwe mens, maar lijken die nieuwe mens nauwelijks echt serieus te nemen. Ze schrijven “Alles mag uitnodigen tot snedige commentaren op de smaak van de buitenwijkindeling, wij houden ons er verre van.” en “Nochtans trekt de lezer onze vooruitstrevendheid hopelijk niet in twijfel wanneer wij het wagen – op het gevaar af vanuit het illusoire terug te glijden in de realiteit – vraagtekens te plaatsen bij de manier waarop vraag en aanbod in de nieuwe stad in evenwicht worden gebracht.” Daarmee geven ze eigenlijk aan dat ze zich al in een achterhoedegevecht bevinden, wat ze ook mooi illustreren met de metafoor dat ze het oude Nederland vanuit de achterruit bekijken en het nieuwe Nederland vanuit de voorruit. Te zeer gefixeerd op die achteruit, kunnen ze echter de realiteit van de voorruit nog niet echt duiden. Voor hen zijn deskundigen nog gebonden aan de moderniteit: “Architecten en stedebouwkundigen worden geacht de maatschappij van morgen onderdak bieden; in die van gisteren kan de nieuwe mens van nu en vanmorgen niet wonen.

Argwaan

Historiserende architectuur en stedenbouw worden dus in het algemeen met argwaan bekeken, het modernisme wordt onder andere vanwege zijn anti-traditionele mentaliteit bijna vanzelfsprekend omarmd.”
Die vanzelfsprekendheid bestaat echter al lang niet meer zoals blijkt het succes van onder meer Brandenvoort en De Resident. Ook de tegenstelling tussen modernisme en historiserende romantische architectuur is een achterhaalde tegenstelling.
Nieuwe inzichten in de psychologie en de neurologie van de mens maken een nieuwe visie op het gevoel voor schoonheid in de gebouwde omgeving mogelijk. In een volgend artikel, onder deze rubriek op deze pagina zal ik dit verder uitwerken.
Drs.ir. Jan den Boer studeerde stedenbouwkunde en filosofie en publiceerde zo’n 150 artikelen in zijn verschillende vakgebieden.
Hij werkt als senior projectmanager bij de gemeente Utrecht. In november 2006 publiceerde hij het boek ‘Passie voor de stad, naar een nieuwe betovering van de gebouwde omgeving” bij uitgeverij Synthese.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels