nieuws

Modern en traditioneel

bouwbreed Premium

In de twintigste eeuw was het modern om huizen te bouwen met platte daken, om woonwijken te bouwen waarin geen plaats meer was voor kleine bedrijfjes, en om blauwdrukken te maken voor de ruimtelijke ontwikkeling. De twintigste eeuw was lange tijd de ‘moderne’ tijd. We hadden moderne kunst, moderne architectuur en moderne opvattingen over de rol van de overheid. Het woord ‘modern’ viel samen met het woord ‘hedendaags’. Die tijd ligt inmiddels ver achter ons, hoewel veel mensen ‘modern’ en ‘hedendaags’ nog graag als synoniemen zien. Toch heeft de moderne kunst afgedaan. En overal verschijnen traditionele, ‘ouderwetse’ woningen: bij Helmond hebben we Brandvoort gebouwd, een dorp met een geheel traditionele opzet; bij Dokkum is een nieuwe Friese stad gebouwd, zij het als vakantiedorp… Nee, modern is zeker niet meer hedendaags. In onze tijd zoeken we juist meer aansluiting bij de traditie. Maar dat gaat moeizaam en vaak halfslachtig. Eigenlijk twijfelen we vooral. Stond de twintigste eeuw bol van nieuwe ideaalbeelden (en dogma’s), nu zijn we vooral aan het zoeken. Kijk bijvoorbeeld naar de nieuwe woningen om je heen. Het ‘Nieuwe bouwen’ van een eeuw geleden, met veel wit, veel licht en vooral platte daken, is verdwenen. OMA (Rem Koolhaas) en MVRDV (Winy Maas), de twee belangrijkste architectenbureaus van Nederland, bouwen nog wel voort op het modernisme. Maar de meer traditionele woningen verkopen het beste. De notariswoning, de boerderette, de jaren ’30-woning zijn ‘in’. Zo is het vooral een allegaartje van stijlen dat de hedendaagse architectuur ons brengt. Er is overigens niets tegen zo’n allegaartje van bouwstijlen. Is dat niet juist wat de geschiedenis ons heeft achtergelaten? Vroeger bouwden we als het ware ‘organisch’: steden en dorpen ontwikkelden zich binnen een simpele structuur. De combinatie van bouwstijlen en van allerlei functies (wonen, werken, winkelen) die zo ontstond, vormde een organisch geheel. Maar zo bouwen we niet meer. De moderne stedenbouw heeft ons ‘geleerd’ dat we functies moeten scheiden, dat we in woonwijken geen werkplaatsen van bedrijvigheid meer mogen tolereren, dat winkels moeten worden samengebracht in een winkelcentrum of een winkelstrip. Zo zijn in de stadsvernieuwingswijken alle ‘broedplaatsen’ voor nieuwe werkgelegenheid – in de vorm van loodsjes, winkeltjes, onbewoonbare pandjes – verloren gegaan. Inmiddels ligt dat ideaal van functiescheiding ver achter ons. Den Haag spreekt met liefde over ‘meervoudig ruimtegebruik’, al komt daar in de praktijk nog maar bar weinig van terecht. De vele monofunctionele bedrijventerreinen langs de snelweg zijn hiervan een mooi voorbeeld. Ook hier moeten we nog steeds zoeken naar een nieuw ideaalbeeld. De moderne stedenbouw viel samen met een nieuwe opvatting over de rol van de overheid. Bij het modernisme hoorden de grote blauwdrukken voor de ruimtelijke ontwikkeling: Flevopolders, Deltawerken, groeikernen en de vele nota’s over de ruimtelijke ontwikkeling. Alles met veel enthousiasme voor, maar niet door de burgers bedacht. Die tijd en dat moderne ideaalbeeld over de rol van de overheid hebben we inmiddels verlaten. Maar wat komt ervoor in de plaats?

In de twintigste eeuw was het modern om huizen te bouwen met platte daken, om woonwijken te bouwen waarin geen plaats meer was voor kleine bedrijfjes, en om blauwdrukken te maken voor de ruimtelijke ontwikkeling. De twintigste eeuw was lange tijd de ‘moderne’ tijd. We hadden moderne kunst, moderne architectuur en moderne opvattingen over de rol van de overheid. Het woord ‘modern’ viel samen met het woord ‘hedendaags’. Die tijd ligt inmiddels ver achter ons, hoewel veel mensen ‘modern’ en ‘hedendaags’ nog graag als synoniemen zien. Toch heeft de moderne kunst afgedaan. En overal verschijnen traditionele, ‘ouderwetse’ woningen: bij Helmond hebben we Brandvoort gebouwd, een dorp met een geheel traditionele opzet; bij Dokkum is een nieuwe Friese stad gebouwd, zij het als vakantiedorp… Nee, modern is zeker niet meer hedendaags. In onze tijd zoeken we juist meer aansluiting bij de traditie. Maar dat gaat moeizaam en vaak halfslachtig. Eigenlijk twijfelen we vooral. Stond de twintigste eeuw bol van nieuwe ideaalbeelden (en dogma’s), nu zijn we vooral aan het zoeken. Kijk bijvoorbeeld naar de nieuwe woningen om je heen. Het ‘Nieuwe bouwen’ van een eeuw geleden, met veel wit, veel licht en vooral platte daken, is verdwenen. OMA (Rem Koolhaas) en MVRDV (Winy Maas), de twee belangrijkste architectenbureaus van Nederland, bouwen nog wel voort op het modernisme. Maar de meer traditionele woningen verkopen het beste. De notariswoning, de boerderette, de jaren ’30-woning zijn ‘in’. Zo is het vooral een allegaartje van stijlen dat de hedendaagse architectuur ons brengt. Er is overigens niets tegen zo’n allegaartje van bouwstijlen. Is dat niet juist wat de geschiedenis ons heeft achtergelaten? Vroeger bouwden we als het ware ‘organisch’: steden en dorpen ontwikkelden zich binnen een simpele structuur. De combinatie van bouwstijlen en van allerlei functies (wonen, werken, winkelen) die zo ontstond, vormde een organisch geheel. Maar zo bouwen we niet meer. De moderne stedenbouw heeft ons ‘geleerd’ dat we functies moeten scheiden, dat we in woonwijken geen werkplaatsen van bedrijvigheid meer mogen tolereren, dat winkels moeten worden samengebracht in een winkelcentrum of een winkelstrip. Zo zijn in de stadsvernieuwingswijken alle ‘broedplaatsen’ voor nieuwe werkgelegenheid – in de vorm van loodsjes, winkeltjes, onbewoonbare pandjes – verloren gegaan. Inmiddels ligt dat ideaal van functiescheiding ver achter ons. Den Haag spreekt met liefde over ‘meervoudig ruimtegebruik’, al komt daar in de praktijk nog maar bar weinig van terecht. De vele monofunctionele bedrijventerreinen langs de snelweg zijn hiervan een mooi voorbeeld. Ook hier moeten we nog steeds zoeken naar een nieuw ideaalbeeld. De moderne stedenbouw viel samen met een nieuwe opvatting over de rol van de overheid. Bij het modernisme hoorden de grote blauwdrukken voor de ruimtelijke ontwikkeling: Flevopolders, Deltawerken, groeikernen en de vele nota’s over de ruimtelijke ontwikkeling. Alles met veel enthousiasme voor, maar niet door de burgers bedacht. Die tijd en dat moderne ideaalbeeld over de rol van de overheid hebben we inmiddels verlaten. Maar wat komt ervoor in de plaats?
De laatste kabinetten leken te vervallen in een ruimtelijke ordening zonder visie en idee. Is dat wat burgers willen? Of heb je tegenwoordig een krachtige overheid nodig om het traditionele Nederland voor een definitieve ondergang te behoeden? De modernisten zouden zich in hun graf omdraaien.
Prof.dr.Wim Derksen
Directeur van het Ruimtelijk Planbureau (RPB), Den Haag
column@rpb

Reageer op dit artikel