nieuws

Tekort aan technici niet snel oplosbaar

bouwbreed Premium

De salarissen van universitair opgeleide technici moeten nodig omhoog en het geringe aantal vrouwen dat voor bètatechniek kiest, baart grote zorgen. Bovendien komt Nederland in 2010 77.100 hoogopgeleide bètatechnici tekort. Dat zijn de belangrijkste conclusies uit de Technomonitor 2006, die deze week werd gepresenteerd .

De Technomonitor, een onderzoek uitgevoerd door het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) in opdracht van het Platform Bèta Techniek, behandelt de vraag in hoeverre het aanbod van bètatechnisch talent nu en in de toekomst voldoende is om de Nederlandse ambitie te realiseren. Ondanks de uitdagingen die er nog liggen, meldt het onderzoek ook positief nieuws.
Zowel op de havo als het vwo steeg de instroom in bètatechnische vakken tussen 2000 en 2005, al was de groei op het vwo beduidend groter: 38,8 procent tegenover 18 procent op de havo. Meisjes op het vwo kiezen vaker voor bètatechniek dan op de havo, maar op beide niveaus blijven ze ver achter bij jongens.
Hoewel het nog te vroeg is om van een definitieve trendbreuk te spreken, lijkt het erop dat de instroom in de beroepskolom (vmbo-mbo-hbo) zich aan het stabiliseren is. Het afgelopen jaar is de instroom in techniek in alle drie deze richtingen licht gestegen. Op het vmbo kozen afgelopen jaar bovendien meer meisjes voor techniek (7,4 procent tegenover 3,7 procent in 2001). Dit geldt ook voor het mbo, waar in het studiejaar 2005/2006 12,9 procent van de studenten uit meisjes bestaat, tegenover 10,5 procent in 2000/2001. Het aantal vrouwen dat kiest voor een technische hbo-opleiding, blijft onverminderd laag (16,6 procent tegenover 17,7 procent in 2000/2001),
Op vmbo, mbo en hbo is de totale instroom sinds 2000 in zijn totaliteit gedaald, hoewel het afgelopen jaar het aantal aanmeldingen toenam. Alleen op de universiteiten hebben sinds 2000/2001 meer studenten voor de bètatechniek gekozen, namelijk 10.981 tegenover 8904 zes jaar geleden. De instroom van vrouwen in de bètatechniek bedraagt op de universiteit 30 procent.
De werkloosheid in de sector techniek ligt een stuk lager dan elders. Op het vmbo is slechts 3 procent van de schoolverlaters die voor techniek heeft gekozen, werkloos, tegenover 12 procent van alle vmbo’ers. De werkloosheid onder schoolverlaters van mbo techniek ligt met 7 procent iets onder het gemiddelde. De technische hbo-studies laten de grootste daling van werkloosheid zien. In 2005 bedraagt deze 3 procent, waarmee techniek op dit niveau de meest g unstige sector is.

Vraag en aanbod

De aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt verloopt voor hbo techniek iets moeilijker dan voor economie en gezondheidszorg. Daarentegen heeft 82 procent van de werkenden met een diploma hbo techniek een functie op het eigen niveau, tegenover 74 procent bij economie. Ook de werkloosheid onder wo-afgestudeerden met een technische opleiding ligt ver onder het gemiddelde. Het bruto salaris van vmbo-gediplomeerden is sinds de tweede helft van de jaren ’90 minder hard gestegen dan in de meeste andere sectoren. Het minst gestegen sinds 1996 zijn de salarissen van mbo-technici. Wel lag het startsalaris van deze groep in 2005 hoger dan gemiddeld. Ook het bruto uurloon voor hbo-afgestudeerden in de sector techniek lag in 2005, net als in 1996, hoger dan in de meeste andere richtingen.
Zorgenkindje blijven de beloningen voor afgestudeerde wo-technici. Vooral de salarissen in de niet-commerciële en zakelijke dienstverlening blijven achter. Academisch opgeleide bètatechnici in de sectoren banken & verzekeringen, chemie, transport & communicatie en metaal- en elektrotechniek verdienen juist meer dan het gemiddelde. De achterstand van de lonen van bètatechnici is deels te verlaren uit het grote aantal afgestudeerden dat voor een baan als promovendus kiest.
Het totale tekort aan bètatechnici bedraagt in 2010 naar verwachting 77.100, oftewel 29 procent van de totale vraag. Deze gunstige arbeidsmarktperspectieven zijn vooral het gevolg van een grote vervangingsvraag.

Kennisextensief

De Nederlandse investeringen in research en development blijft al jaren achter, ook bij het gemiddelde van de EU-lidstaten. Dit is met name het gevolg van achterblijvende private uitgaven. Een van de verklaringen hiervoor is het feit dat productie en export in Nederland met name gericht zijn op kennisextensieve activiteiten, zoals het landbouw- en voedingscluster. Een andere mogelijke oorzaak is de schaarste aan hoogopgeleide bètatechnici. Bedrijven die R&D-activiteiten ontplooien, moeten daardoor uit dezelfde vijver van bètatechnisch talent vissen. Het beperkte aanbod aan deze mensen is daarmee niet alleen gevolg, maar ook oorzaak van de beperkte R&D-uitgaven in het Nederlandse bedrijfsleven.
De conclusie van het onderzoek is dat Nederland de huidige aanpak om de instroom van bètatechnici te verhogen, moet voortzetten om op koers te blijven. Makkelijke oplossingen met kortetermijneffecten zijn er niet, en een lange adem is dan ook nodig. Bedrijven, kennisinstellingen en overheden zullen er hard aan moeten blijven trekken om Nederland koploper op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie te maken.

Vooropleiding instroom wetenschappelijk onderwijs 2005/2006.

Reageer op dit artikel