nieuws

Markstructuur nodigt niet uit tot innovatie

bouwbreed

Op 26 oktober 2006 (nummer 199) is op deze pagina de concurrentiekracht van Nederlandse bouwbedrijven onder de loep genomen in het eerste deel van het drieluik ‘Bouwstenen voor innovatiekracht’. De bouw loopt achter in termen van innovatie en productiviteit, zo luidde de belangrijkste conclusie. In het tweede deel ‘Marktstructuur’ gaan Pieter de Bruijn en Wouter Jonkhoff dieper in op de oorzaken.

Op 26 oktober 2006 (nummer 199) is op deze pagina de concurrentiekracht van Nederlandse bouwbedrijven onder de loep genomen in het eerste deel van het drieluik ‘Bouwstenen voor innovatiekracht’. De bouw loopt achter in termen van innovatie en productiviteit, zo luidde de belangrijkste conclusie. In het tweede deel ‘Marktstructuur’ gaan Pieter de Bruijn en Wouter Jonkhoff dieper in op de oorzaken.
Is de klacht omtrent een falende marktstructuur terecht? Anders gezegd, valt er maatschappelijke welvaartswinst te boeken door de markt van vraag en aanbod van bouwwerken anders te organiseren? In de analyse van marktkenmerken kan een aantal dimensies worden onderscheiden. In dit deel worden achtereenvolgens (1) marktomvang, (2) type product, (3) transactiemechanisme en (4) samenwerking en coördinatie behandeld. Deze elementen worden gerelateerd aan het innovatievermogen van Nederlandse bouwbedrijven.

Marktomvang

De bouwsector is gemiddeld genomen weinig in staat om te innoveren. Natuurlijk Zijn er tal van positieve uitzonderingen op dit algemene beeld. Ook de productiviteit verschilt van bouwbedrijf tot bouwbedrijf. Echter, gemiddeld genomen blijkt arbeidsproductiviteit maar moeizaam naar een hoger plan te tillen. Het ene bouwbedrijf heeft een hogere arbeidsintensiteit dan het andere. Zo zal een loodgieterbedrijf vooral veel werknemers in dienst hebben, terwijl asfalteren juist veel machines vergt en weinig werknemers.
In bedrijven waar veel kapitaal benodigd is kunnen schaalvoordelen bestaan. Het is dan voordeliger om op grote schaal te produceren dan op kleine schaal omdat de vaste kosten hoog zijn. Dit werkt het bestaan van relatief weinig aanbieders in de relevante markt in de hand, zoals bij grote bouwprojecten ook het geval is. Wellicht zou men in een markt met weinig aanbieders een hogere toegevoegde waarde verwachten omdat de prijs van het project door gebrek aan concurrentie kan worden opgedreven. Dat zou in principe ruimte scheppen om te investeren in kennis. Echter, uit het beperkte innovatievermogen van de bouwsector kan geconcludeerd worden dat dit in de meeste gevallen niet de werkelijkheid is.
Gebrekkige concurrentieverhoudingen leiden veelal niet tot voldoende prikkels bij bouwbedrijven om te innoveren door enerzijds meer toegevoegde waarde te leveren en anderzijds het proces van toegevoegde waarde creatie slimmer te organiseren.
Uit een analyse van Cap Analysis naar de honderd grootste aanbestede projecten in de periode 1998 en 2001 blijkt dat in dit segment een relatief beperkt aantal bedrijven in steeds wisselende coalities meedingt in de aanbesteding . Het beperkte aantal offrerende bedrijven valt te verklaren uit het feit dat vooral nationaal wordt aanbesteed.
Een aanwijzing voor de beperkte geografische omvang van de relevante markt is de zeer beperkte concurrentie uit het buitenland. Van de honderd grootste aanbestede projecten tussen 1998 en 2001 deed er in minder dan tien gevallen een buitenlands bedrijf mee.
Zelfs de Duitse bouwsector, aan wie goede toetredingskansen moeten worden toegedicht en die sinds 1995 is geconfronteerd met een ongunstige conjunctuur in eigen land, speelt in de Nederlandse markt geen rol van betekenis . Internationale aanbesteding komt moeizaam van de grond, niet alleen door taal- en cultuurverschillen, maar ook doordat bedrijven worden geconfronteerd met complexe nationale procedures en regelgeving.
Een ander belangrijk aspect in de omvang van de markt zijn transportkosten. De bouwnijverheid heeft te maken met hoge transportkosten. Materiaalverbruik maakt gemiddeld zo’n veertig procent van het verbruik van de bouwsector uit.
De ruimtelijke schaal waarop concurrentie mogelijk is, wordt door deze omstandigheden beperkt, temeer omdat veel halffabrikaten, zoals beton en gips, slechts beperkt houdbaar zijn.

Economen maken onderscheid tussen homogene en heterogene goederen. Het bouwrijp maken van bouwterrein geldt bijvoorbeeld als homogeen goed. Een hectare bouwrijp terrein geleverd door verschillende grondverzetbedrijven levert voor vragende partijen in principe hetzelfde op. Het ontwerp van een kantoorpand geldt als heterogeen goed. Ontwerpen van de hand van verschillende architectenbureaus worden veelal sterk verschillend door eindgebruikers gewaardeerd. In de markt voor bouwwerken worden zowel sterk homogene als sterk heterogene producten verhandeld. In het algemeen geldt dat hoe homogener het goed, hoe groter de kans dat het klassieke concurrentiemechanisme zijn werk kan doen, namelijk dat overmatige winsten door toetreding van nieuwe bedrijven worden afgeroomd tot maatschappelijk aanvaardbare niveaus. Bij heterogene goederen zal eerder ruimte ontstaan voor winst, kapitaalaccumulatie en innovatie. Anderzijds mogen ondernemingen, naarmate hun productassortiment meer gelijkenis vertoont, makkelijker in staat worden geacht kartelgedrag te vertonen en zo de concurrentie te beperken. In markten waarin homogene goederen worden verhandeld is het relatief makkelijk om op basis van informatie-uitwisseling strategisch gedrag te vertonen. Ook dan wordt de prikkel tot concurrentie op toegevoegde waarde geschaad.

Transactiemechanisme

Het transactiemechanisme richt zich op de wijze waarop afstemming tussen vraag en aanbod van bouwproducten wordt bereikt. Er zijn verschillende manieren waarop vragers en aanbieders tot transacties komen, zoals veilen, afdingen of – in het geval van de bouwsector – aanbesteden. Bij aanbesteding wordt aan een aantal partijen offerte gevraagd, al of niet tegen gehele of gedeeltelijke offertevergoeding. De vragende partij gaat in principe door met aanbieders uitnodigen tot hij denkt dat de opbrengsten van een extra offerte niet meer tegen de kosten opwegen. Aanbieders offreren alleen als de verwachte opbrengst van de offerte opweegt tegen de kosten in geld en tijd die ze maken voor het opstellen van de offerte. Aanbesteding is een relatief duur transactiemechanisme . Alle offertes die niet worden gegund kunnen worden gezien als verlies voor de opstellers ervan. Ze leveren immers geen opdracht op en gaan ten koste van tijd besteed aan bouwen zelf. Hoe meer concurrerende offertes, hoe groter dit verlies is. Aanbesteden nodigt dus aan aanbiederzijde niet uit tot concurreren. Voor de vraagkant geldt bovendien dat indien offertevergoedingen worden toegepast, deze een grote kostenpost zijn voor de vrager, terwijl aanbieders juist klagen dat het slechts om een schijntje gaat. Waarom dan toch aanbesteden? Bij aanbesteding komt veel informatie beschikbaar. Die is nodig om informatieasymmetrie te voorkomen bij complexe, heterogene producten, zoals bouwproducten.
Aanbiedende partijen hebben bij zulke producten meer kennis van het productieproces (materialen, bewerking, personeel en vaardigheden) dan de klant. Ook via aanbesteden kan van tevoren onvoldoende worden vastgesteld in hoeverre het product aan de behoeften van de gebruikers ervan tegemoet zal komen. Waarde is afhankelijk van subjectieve beoordeling tijdens het gebruik en het bouwproces zorgt ervoor dat het aanbod van bouwproducten in tijd achterloopt op de vraag. De waarde van heterogene producten is daarom ex ante moeilijk te objectiveren. Bij homogene producten speelt dit probleem nauwelijks. Een risicomijdende aanbestedende partij (zoals de overheid) kan bij het aanbesteden van heterogene producten enkele strategieën hanteren om een goede afweging te maken tussen verwachte opbrengst en kosten van een bouwproject. Zo worden projecten in de Nederlandse bouwsector traditioneel gegund op basis van prijs.
Anders dan kwaliteit is prijs een criterium dat gemakkelijk kan worden geobjectiveerd en gekwantificeerd. Kwaliteitseisen spelen in de Nederlandse aanbestedingspraktijk traditioneel een minimale rol. Men vertrouwt er op dat als de prijs maar zo laag mogelijk is, en er in de offerteaanvraag randvoorwaarden zijn gesteld aan het product, het eindproduct van voldoende kwaliteit zal zijn. Het drukken van de prijs via gunning remt de toegevoegde waarde, omdat er niet op de gebruikswaarde van bouwwerken wordt geconcurreerd.
Een andere strategie om het ex ante informatieprobleem te bestrijden, is het reputatiemechanisme te gebruiken . Hierbij gunt men bij voorkeur aan die bedrijven die in het verleden goede resultaten hebben laten zien, ofwel een goede past performance kunnen laten zien. Hierbij vormt toegevoegde waarde wel een criterium, maar slechts in historische zin, met het gevaar dat marktdynamiek uit het zicht verdwijnt en een prikkel tot concurrentie wegvalt.

Samenwerking

Het bouwproces wordt, zowel in de offertefase als in de uitvoering, gekenmerkt door een hoge mate van coördinatie tussen verschillende bouwbedrijven. Hoewel tijdens de bouwfraudeaffaire vooral is gewezen op ongeoorloofde vormen van samenwerking in kartels, wordt interactie vaak door meer nobele bedrijfseconomische motieven ingegeven en heeft samenwerking maatschappelijk rendement. In de bouwnijverheid zijn de afschrijvingen op duurzame kapitaalgoederen hoog. Een belangrijke determinant in de concurrentiekracht van bouwbedrijven is derhalve de bezettingsgraad van kapitaalgoederen als kranen en graafwerktuigen. Coördinatie biedt derhalve mogelijkheden afschrijvingskosten per eenheid product drastisch te reduceren.
Dat afstemming binnen gegeven randvoorwaarden niet altijd even succesvol verloopt, blijkt uit het hoge percentage faalkosten in de totale kostenstructuur van bouwbedrijven. Volgens schattingen kunnen deze kosten maar liefst vijf à tien procent van de totale bouwproductie bedragen. Vanwege het feit dat de kapitaalkosten in de bouw hoog zijn en dat sommige materialen niet lang houdbaar zijn is het voor bouwbedrijven van groot belang om continuïteit te leggen in het binnenhalen van opdrachten. Wanneer een dergelijke coördinatie de vorm aanneemt van kartels komen deze voordelen echter niet de maatschappij ten goede. Kartels drijven prijzen op zonder dat daar toegevoegde waarde tegenover staat. Dit betekent dat aanbestedende partijen bij een gelijk budget minder toegevoegde waarde verkrijgen. Bovendien zorgt de conventionele prijsgunning ervoor dat kartelleden elkaar goed kunnen controleren op opportunistisch gedrag.
Resumerend kan gesteld worden dat bouwbedrijven een punt hebben wanneer zij beweren dat marktstructuur niet uitnodigt tot innovatie. Zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers zijn sterk gericht op kosten en veel minder op de toegevoegde waarde van bouwproducten voor de eindconsument.
Prijsconcurrentie binnen vast omschreven randvoorwaarden is geen ideale voedingsbodem voor productinnovaties. Het gevaar bestaat tevens dat een sterke oriëntatie op prijs leidt tot krappe budgettering hetgeen in situaties van onderaanbesteding kan leiden tot gebrekkige afstemming en hoge faalkosten. De marktomvang is beperkt, er wordt aanbesteed op prijs en het proces van aanbesteding is openbaar. Hierdoor vallen kartels relatief makkelijk op te zetten en zijn de leden onderling goed te controleren.
Pieter de Bruijn en Wouter Jonkhoff, TNO Bouw en Ondergrond, Business Unit Innovatie en Ruimte, Delft
wouter.jonkhoff@tno.nl

‘Kostenzieke’ factoren**Einde kader 2**

Oorzaken Wat zijn de oorzaken achter het geringe innovatievermogen van bouwbedrijven? Op basis van onderzoek van TNO naar innovatie in de bouw zijn twee hoofdoorzaken aan te geven. De eerste is klantgerichtheid. Bouwbedrijven blijken beperkt georiënteerd op hun afnemers in hun innovatietrajecten. Bouwbedrijven innoveren relatief veel met hun concullega’s en relatief weinig met hun klanten. Omdat de belangrijkste afnemer van de bouw, de vastgoedsector, zich juist positief onderscheidt op innovatiekracht, zou de relatief beperkte focus op klanten in innovatieprocessen een belangrijke belemmering van kennisdiffusie stroomopwaarts in de bouwketen kunnen zijn.
Binnen innovatietrajecten blijken bouwbedrijven in vergelijking tot andere sectoren dan ook sterk gericht op elkaar. Een sterke interne en autarkische oriëntatie kent het gevaar van lock-in. Bij gebrek aan externe uitdaging worden innovatiekansen onvoldoende benut en raakt de sector ‘opgesloten’ in gevestigde belangen. Die werken remmend op innovatie. De tweede oorzaak is gelegen in marktstructuur. Bouwbedrijven zelf geven aan dat marktstructuur niet uitnodigt tot innovatie. Hierbij gaat het om het projectgebonden karakter van bouwproductie en de manier waarop bouwprojecten worden aanbesteed. Bouwbedrijven zien zichzelf als leveranciers van capaciteit binnen harde technische en financiële randvoorwaarden. Innovaties blijven beperkt tot het vinden van ad hoc oplossingen binnen traditioneel vormgegeven kaders. Dergelijke factoren zijn in de loop der jaren onderdeel geworden van de cultuur in het bouwbedrijf, waarin risicominimalisering, prijsconcurrentie en rivaliteit trefwoorden zijn. Door prijsconcurrentie ontbreekt het aan middelen om te investeren en aldus tot innovatie te komen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels