nieuws

Normen voor gevels niet waterdicht

bouwbreed Premium

Dat het laatste woord niet is gezegd over (vallende) gevelplaten blijkt wel uit de vele artikelen in Cobouw , 29 september jongstleden. Zo is er op een aantal plaatsen behoefte aan nieuwe normen uitgesproken. Geconstateerd is dat er lacunes zijn. Daarbij zijn naar verluidt inspecties niet goed geregeld. Rolf Holthuijsen reageert namens NEN op de geuite ‘hartenkreten’.

In de NEN commissies wordt gesteld: “het is niet langer acceptabel dat ‘kleine fouten grote gevolgen’ hebben”. Bij het ontwerp dienen mogelijke uitvoeringsfouten al worden voorkomen. Ontwerpnormen zijn er juist voor om fouten te voorkomen (“het zijn aanbevelingen van ingenieurs die de fouten al hebben gemaakt”). Hierin zijn blanco plekken gesignaleerd. Men ‘ontloopt’ vaak het opstellen van ontwerpnormen voor gevelsystemen; productnormen worden vaak op het materiaal geschreven.
Ook op gevelplaten (“Vrijblijvende wetgeving”(?) is het Bouwbesluit van toepassing. Zoals Nico Hendriks, directeur van Ingenieursbureau BDA Geveladvies in ‘Loslatende gevelplaten terugkerend drama’ aangeeft: “bij het ontwerpen moet aangetoond worden dat de constructieve veiligheid van een gevel is gewaarborgd voor 50 jaar”. Dus de constructie zal de belasting moeten kunnen weerstaan tot de laatste dag van deze periode. NEN 6702 geeft hieraan ‘handen en voeten’.
Afhankelijk van het gebruik van het gebouw worden eisen aan ‘de tijd dat de gevelconstructie intact blijft’ en de betrouwbaarheid gesteld. De eisen aan de betrouwbaarheid van de gevelconstructies zwaar gezien de mogelijk grote consequenties van een vallende gevelplaat (“dodelijk effect”).

Noodzakelijk

In de artikelen zijn onacceptabele praktijksituaties (“Roep om … inspecties”) gesignaleerd. Een gebouw gaat in principe langer mee dan zijn gevel dus is een tussentijdse vervanging ervan noodzakelijk. Om te bepalen of de gevel daaraan toe is wordt een inspectie uitgevoerd (NEN 6700 voorziet in deze situatie).
In de praktijk worden inspecties pas uitgevoerd als het gebouw van exploitant wisselt. De teneur in de artikelen is dat het dan ‘te laat’ is. Als tussentijdse vervanging noodzakelijk is (inclusief de inspectie) zou dat in de bouwaanvraag als uitgangspunt moeten worden vermeld. Na oplevering is het uitvoeren van onderhoud en inspecties de verantwoordelijkheid van de exploitant van het gebouw. Dat de gemeentelijke overheid een rol heeft bij het nalopen van inspecties is een relatief nieuw idee: “opnemen van veiligheidsinspecties in het Bouwbesluit”. Hiervoor bestaan echter geen protocollen of andere ‘praktische’ regelgeving.
Uit de aard van de zaak zijn gevels vaak moeilijk bereikbaar. Net zoals nagedacht wordt in de ontwerpfase over de veiligheid van glazenwassers zou ook moeten worden nagedacht over de mogelijkheid tot inspectie (“veiligheid van derden”).
De ontwerper dient voorzieningen aan te brengen waardoor inspectie in een latere fase mogelijk wordt. Dit idee is op dit moment nog niet uitgewerkt in de ontwerpnormen. Wel geeft de norm NEN 2767 een methodiek voor het vastleggen van de conditie van bouw- en installatiedelen. Deze beoordeling kan worden gebruikt bij het beheer en commerciële exploitatie (‘upgrading’) van een gebouw. Aangegeven is dat “fouten maken is mensenwerk”.
Dat ongevallen plaatsvinden of dat schade optreedt, is vaak het gevolg van kleine fouten bij de uitvoering. Echter gevelsystemen zouden ‘foolproof’ moeten zijn: het ontwerp zou een verkeerde montage ‘onmogelijk’ moeten maken. Ontwerpregels zijn ervoor om fouten te voorkomen. Een norm weerspiegelt de kennis zoals die op dat moment geaccepteerd wordt. Daarbij dient een gevelconstructie robuust te zijn: het is langzamerhand niet meer acceptabel dat een ‘kleine’ fout in de montage leidt tot ongelukken of onevenredig grote schade.
Aan te bevelen is dat:
voordat de gevel naar beneden komt, er al duidelijke signalen zijn (grote vervormingen, barsten) zodat maatregelen kunnen worden genomen (“aan bros materiaal een taai component toevoegen”, “risico dat de lijmverbinding ineens bezwijkt”);
na het bezwijken de schade beperkt blijft tot de aangrenzende panelen. Genoemd zijn de aanwezigheid van een tweede draagweg (“naast het verlijmen ook het aanbrengen van een mechanische verbinding”) of het voorkomen van een domino effect (het voorkomen dat de platen onderling op elkaar afsteunen waardoor uiteindelijk de ‘laatste’ bezwijkt);
dat al het mogelijke wordt gedaan om ongelukken of fouten te voorkomen bij “het aanbrengen van gevelplaten” of bij “het verwijderen van een steiger”.
Voor gevelconstructies ontbreken specifieke ontwerpnormen. Als voorbeeld kan worden genoemd dat voor windbelasting voor daken wel een specifieke uitwerking van NEN 6702 is opgesteld en voor gevels niet. Over de vele materialen waaruit gevelplaten(systemen) kunnen bestaan, zijn vaak wel materiaaleigenschappen vastgelegd maar ontbreekt een beeld van het totale systeem (“Maar we missen nog normen …”). En dat terwijl de prestaties (ophanging, trillingen, bouwfysica) en de mogelijkheden bij ontwerp meer afhankelijk zijn van de bevestigingen als van de plaatmaterialen.

Glas

Voor glas is aangegeven dat “ontwerpregels nog in opbouw zijn” waarbij gerefereerd is aan NEN 3569 en NEN 2608. Ook over de materialen valt nog het een en ander te zeggen zoals aangegeven is over het materiaal glas voor gevelplaten mbt nikkelsulfide (genoemd is NEN-EN 14179-1) of voor natuursteen (aangegeven wordt dat hier Duitse normen worden gehanteerd). Overigens kan hier ook worden gedacht aan sandwichpanelen (NEN-EN 14509) of metalen platen (zoals NEN-EN 10088 over RVS).

Robuustheid

Kortom, voor gevelconstructies missen (“Juicht de komst van een werkbaar document toe”) specifieke normen.
Wel bestaan er normen die voor alle bouwconstructies en bouwmaterialen van toepassing zijn. In ontwerpnormen zou aandacht moeten worden gegeven aan de detaillering (het voorkomen van fouten), inspecties en aan robuustheid.
Gezien de aandacht die eraan gegeven wordt door verschillende partijen (de commotie in de pers) is nu de tijd rijp om normen voor gevelplaten op te stellen. Het opstellen hiervan is immers een zaak van de markpartijen zelf.
R.J. Holthuijsen
Adviseur NEN-Bouw, Delft
rolph.holthuijsen@nen.nl
www.nen.nl

Reageer op dit artikel