nieuws

Kleine bedrijven vallen buiten de boot bij opdrachten

bouwbreed Premium

Het midden- en kleinbedrijf valt vaak buiten de boot bij aanbestedingen. Uit vergelijkend onderzoek naar aanbesteden in de veertien ‘oude’ lidstaten blijkt dat regeringen nauwelijks extra maatregelen treffen om het kleinere ondernemingen te helpen aan bod te komen bij overheidsopdrachten.

Onderzoeksbureau Van Doorne uit Amsterdam heeft de vergelijking ‘Aanbesteden in Europa’ gemaakt in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Nederland blijkt met invoering van het ARW 2005 ruim een jaar geleden weer vooraan te lopen. Slechts vier van de veertien onderzochte landen hebben de Europese aanbestedingsrichtlijn op tijd geïmplementeerd. Bijna alle landen kiezen voor het een op een vertalen van de nieuwe regels.
Dat geldt bijvoorbeeld voor het onderwerp proportionaliteit. Veel kleine en middelgrote ondernemers klagen steen en been dat ze nauwelijks aan bod komen vanwege de extreem hoge eisen die opdrachtgevers stellen. Onderzoek van VNO-NCW toonde vorig jaar aan dat in Nederland het mkb 10 procent van hun omzet mislopen door te hoge eisen van overheidsopdrachtgevers. Hun landelijke omzet ligt op 53 procent, terwijl de kleinere ondernemingen niet meer dan 43 procent uit overheidsopdrachten behalen.

Raamwet

In de onderzoekslanden is in algemene zin weinig vastgelegd over de hoogte van selectiecriteria. Alleen Oostenrijk noemt het mkb expliciet in de raamwet en heeft opdrachtgevers opgeroepen rekening te houden met kleinere ondernemingen. Veel opdrachten lopen daar via het Bundesbeschaffungs GmbH. Deze centrale inkooporganisatie van het ministerie van Financiën claimt dat bijna driekwart van de contractpartijen kleine en middelgrote ondernemingen zijn. Een andere uitzondering is Luxemburg waar gemeenten opdrachten onder de 12500 euro mogen gunnen aan plaatselijke ondernemers. Voorwaarde is wel dat de rekening niet hoger uitpakt dan 5 procent boven de goedkoopste inschrijving.
In België, Italië, Oostenrijk, Engeland en Zweden is wel in algemene zin gesteld dat aanbestedende diensten redelijke eisen moeten hanteren. Ook in Nederland is de beoordeling daarvan in beginsel neergelegd bij de aanbestedende dienst.
Volgens de richtlijn zijn disproportionele eisen verboden, maar slechts een handvol landen heeft een klachteninstituut ingesteld. In Denemarken en Zweden hebben de mededingingsautoriteiten ook een specifieke taak als adviseur in aanbestedingszaken. Maar alleen in Denemarken kan die in het geval van overheidsopdrachten bindende uitspraken doen. Oostenrijk heeft met het ‘Vergabeamt’ een vergelijkbaar instituut. In de andere deelstaten is het gebruikelijk dat klagers moeten aankloppen bij de ‘gewone’ rechter. In diverse andere landen bestaat wel een certificeringsysteem voor aannemers die in aanmerking willen komen voor opdrachten. België kent bijvoorbeeld een erkenningsysteem voor aannemers van werken. Het systeem onderscheidt verschillende categorieën, en per opdracht is duidelijk of een bouwer daarvoor in aanmerking komt. Erkende aannemers staan in een databank van het Belgische ministerie van Economische Zaken.
Sinds kort heeft ook Duitsland een systeem van prekwalificatie voor werken ingevoerd. Onafhankelijke particuliere prekwalificatiebureaus doen de toetsing en verstrekken lijsten met erkende bouwers aan de aanbestedende diensten. Het voorbeeld is ook gevolgd door Italië met invoering van het erkenningssysteem ‘Tulp’, waarbij wordt gekeken naar kwaliteit, economische en financiële draagkracht en vakbekwaamheid. In Finland vindt op vrijwillige basis certificering plaats door de Vereniging voor Kwaliteit in de Bouw en ook in Frankrijk is de zogenoemde Qualibat niet verplicht.
De diverse certificeringsystemen voorzien meestal in selectiecriteria voor de inschrijvers, maar bevatten meestal ook eisen op het gebied van integriteit. Geen van de onderzoekslanden kent echter een actieve onderzoeksplicht voor aanbestedende diensten. Het gevolg hiervan is dat zij een grote mate van vrijheid hebben bij de toetsing van integer gedrag van de inschrijver.

Witte lijst

In Nederland heeft het ministerie van Economische Zaken afgezien van een certificeringsysteem, maar voert wel een soort ‘witte lijst’ in door de integriteitverklaring verplicht te stellen. Justitie toetst de bedrijven op aanvaringen met de Nma, inspecties en de rechter, en geeft ondernemingen in beginsel voor twee jaar een bewijs van goed gedrag af. Wie het papiertje niet kan tonen, mag niet inschrijven.
Deze zogenoemde covog-verklaring die aanbestedende diensten in Nederland volgend jaar verplicht gaan stellen is geen uitzondering in Europa. Ook in landen als Denemarken, Duitsland, Finland en Griekenland toetst Justitie de betrouwbaarheid van een bedrijf.
In alle lidstaten bestaat overigens de mogelijkheid om bedrijven te weigeren bij een inschrijving. Veel landen hebben regels opgesteld voor zowel strafrechtelijke veroordelingen als schending van beroepsregels. De Europese regels stellen namelijk verplicht dat bedrijven worden uitgesloten van overheidsopdrachten bij zware veroordelingen zoals lidmaatschap van een criminele organisatie of oplichting. Alleen Frankrijk heeft in de wet opgenomen dat de uitsluitingsperiode voor een onderneming maximaal vijf jaar mag zijn. In Duitsland is een strafbaar feit minimaal drie jaar lang terug te vinden in de verklaring omtrent het gedrag. De meeste andere lidstaten laten de periode van uitsluiting afhangen van de overtreding.

Reageer op dit artikel