nieuws

Bouwstenen voor innovatiekracht

bouwbreed

De bouw is weinig innovatief in vergelijking tot andere delen van de Nederlandse economie en de productiviteitsontwikkeling van de sector blijft achter. Bouwbedrijven geven marktstructuur de schuld. Deze nodigt niet uit tot innovatie. Wat bedoelt men hier mee en is de klacht terecht? Deze vragen staan centraal in het drieluik ‘Bouwstenen voor innovatiekracht’. In dit eerste artikel waarin de innovatie en productiviteit in de bouwsector wordt geanalyseerd stellen Pieter de Bruijn en Wouter Jonkhoff de diagnose. De bouwsector is een belangrijke pijler onder de Nederlandse economie. Ruim 5 procent van het bruto nationaal product wordt gerealiseerd door bouwbedrijven. In termen van werkgelegenheid is 6,8 procent van het aantal werkzame personen in Nederland werkzaam in de bouw .

De bouw is weinig innovatief in vergelijking tot andere delen van de Nederlandse economie en de productiviteitsontwikkeling van de sector blijft achter. Bouwbedrijven geven marktstructuur de schuld. Deze nodigt niet uit tot innovatie. Wat bedoelt men hier mee en is de klacht terecht? Deze vragen staan centraal in het drieluik ‘Bouwstenen voor innovatiekracht’. In dit eerste artikel waarin de innovatie en productiviteit in de bouwsector wordt geanalyseerd stellen Pieter de Bruijn en Wouter Jonkhoff de diagnose. De bouwsector is een belangrijke pijler onder de Nederlandse economie. Ruim 5 procent van het bruto nationaal product wordt gerealiseerd door bouwbedrijven. In termen van werkgelegenheid is 6,8 procent van het aantal werkzame personen in Nederland werkzaam in de bouw .
Al enige jaren geldt de concurrentiekracht van de bouwsector als een belangrijk zorgenkind van de Nederlandse economie. Kartelvorming en onderhandse prijsafspraken zijn jarenlang gemeengoed geweest. De parlementaire enquête heeft duidelijke conclusies opgeleverd. De bouw moet meer concurrerend, innovatief en vraaggericht opereren. De discussie rond de bouw blijkt vooral te zijn gebaseerd op illustratieve voorbeelden. In deze bijdrage wordt de diagnose van de concurrentiekracht van de bouw gesteld op basis van algemene cijfermatige overzichten.

Scoren

Productiviteit geldt als een belangrijke maat voor concurrentiekracht. De productiviteit van een bedrijf of sector wordt wel omschreven als het quotiënt van output en input. Als output wordt in de definitie veelal de toegevoegde waarde gehanteerd, als input de hoeveelheid gebruikte productiefactoren (arbeid en kapitaal). Vanwege de beschikbaarheid van data is arbeidsproductiviteit over het algemeen gemakkelijker vast te stellen dan kapitaalproductiviteit. We richten ons hier daarom uitsluitend op arbeidsproductiviteit.
De productiviteitsontwikkeling van Nederlandse bouwbedrijven blijft achter bij die in andere sectoren, zo blijkt uit tabel 1. De bouwnijverheid blijft evenals andere dienstverlenende sectoren sterk achter bij het nationaal gemiddelde. Ook in de ons omringende landen is dit het geval, zo blijkt uit tabel 2. Hierin zijn de resultaten samengevat van een analyse van productiecijfers van de OESO Uit tabel 2 blijkt dat de productiviteitsontwikkeling in Nederland gedurende de jaren negentig zwak is geweest in vergelijking met omringende landen. Dit geldt voor zowel de bouwnijverheid als voor overige sectoren. Wanneer de prestaties van bouwbedrijven op productiviteitsgroei worden afgezet tegen overige sectoren, blijkt Nederland ten opzichte van overige West-Europese landen in de middenmoot te scoren.
Uit tabel 2 blijkt dat, wanneer gecorrigeerd wordt voor nationale en sectorale productiviteitsontwikkeling, bouwbedrijven in landen als België en het Verenigd Koninkrijk aanmerkelijk beter scoren in de ontwikkeling van productiviteit dan Nederlandse bouwbedrijven.
Achterblijvende productiviteit kan meerdere oorzaken hebben. Ten eerste is de nationale omgeving sterk van invloed op productiviteitsontwikkeling. De arbeidsmarkt wordt sterk door de conjunctuurcyclus beïnvloed. Daardoor hangt ook arbeidsproductiviteit sterk samen met de conjuncturele fase van de economie. Ook de mate waarin arbeid kan worden vervangen door kapitaal speelt een grote rol. Technologische ontwikkeling kan ervoor zorgen dat het aantrekkelijk wordt om arbeid door kapitaal te vervangen. De arbeidsproductiviteit zal hierdoor stijgen; met minder arbeid wordt een zelfde resultaat behaald.

Absorptie

De mogelijkheden tot substitutie verschillen sterk tussen sectoren. Vooral in diensten als onderwijs en zorg is deze substitueerbaarheid gering, zoals blijkt uit tabel 1.
Ook innovatie is een belangrijke motor achter productiviteit. Wanneer men uitgaat van de brede definitie van innovatie (zie kader), kunnen innovatie en productiviteitswinst worden gezien als twee kanten van dezelfde medaille. De verandering van de productiefunctie die innovatie behelst, zorgt er immers voor dat ofwel met een mindere hoeveelheid productiefactoren dezelfde output kan worden bereikt – of dat met dezelfde hoeveelheid productiefactoren meer output kan worden bereikt.
In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken heeft TNO het innovatieve vermogen van de bouw en de belangrijkste toeleveranciers en afnemers van de sector in kaart gebracht . De hoofdconclusie van het rapport laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Ten opzichte van andere sectoren is de bouw maar weinig innovatief. Dit geldt voor woningbouw, utiliteit en grond- weg- en waterbouw. Volgens eerder uitgevoerd onderzoek hoeft deze positie niet als problematisch te worden bestempeld. In dergelijke visies wordt de bouw bestempeld als een sector die innovaties van andere sectoren importeert en implementeert. De cijfers vertellen een ander verhaal, zo blijkt uit figuur 1.

Scoren

Ook aan de bouw toeleverende sectoren steken niet boven het maaiveld uit. Bouwbedrijven scoren niet alleen benedengemiddeld op productvernieuwingen, maar ook op procesinnovaties, die veelal ontstaan door de absorptie van productinnovaties vanuit andere sectoren.
De concurrentiekracht van bouwbedrijven staat onder druk. Zowel op productiviteitsontwikkeling als innovatie scoren bouwbedrijven benedengemiddeld. Volgende week, in het tweede deel van dit drieluik, wordt verder ingegaan op de oorzaken achter de beperkte innovatiekracht van de bouwsector.
Pieter de Bruijn en Wouter Jonkhoff, TNO Bouw en Ondergrond, Business Unit Innovatie en Ruimte, Delft
wouter.jonkhoff@tno.nl

Spraakverwarring

De discussie rond innovatie is niet zelden het slachtoffer van Babylonische spraakverwarring. Veel discussies stranden voortijdig doordat deelnemers uitgaan van een verschillend begrippenkader dat impliciet en vaag verband houdt met vernieuwing, technologie, onderzoek en ontwikkeling of creativiteit. In ons onderzoek gaan wij uit van het innovatiebegrip zoals dat is vastgesteld door de Oostenrijkse econoom Schumpeter. Schumpeter stelt het innovatiebegrip gelijk aan een (positieve) verandering van de vorm van de productiefunctie. Wanneer bedrijven een hogere productie weten te halen dan in een voorgaande situatie, zonder dat zij daarbij de hoeveelheid arbeid en kapitaal evenredig hebben verhoogd, is sprake van een innovatie. Deze definitie heeft belangrijke implicaties. Ten eerste hoeven uitvindingen (inventies) niet gerekend te worden tot innovatie. Bij innovatie gaat het om de economische exploitatie van vernieuwingen en niet om de uitvinding zelf. Ten tweede is het innovatiebegrip breder van aard dan alleen technologische vernieuwing. Zo rekent Schumpeter niet alleen de resultaten van onderzoek en ontwikkeling, maar ook bijvoorbeeld (economisch succesvolle) fusies tot innovatie.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels