nieuws

Bouwplan en parkeergelegenheid

bouwbreed Premium

Een van de vragen die regelmatig aan de orde komt bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) is of een bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Deze vraag stond ook centraal bij de Afdeling (ABRvS 20 mei 2006, zaaknummer 200506969/1). In deze zaak heeft het college van B en W van de gemeente Velsen […]

Een van de vragen die regelmatig

aan de orde komt bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) is of een bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Deze vraag stond ook centraal bij de Afdeling (ABRvS 20 mei 2006, zaaknummer 200506969/1). In deze zaak heeft het college van B en W van de gemeente Velsen een bouwvergunning verleend aan een kerkgenootschap voor het veranderen en vergroten van een spiritueel centrum.

Voor de aanpassing van het spiritueel centrum is ontheffing verleend van de in de bouwverordening gestelde eisen aan beschikbare parkeerruimte. De omwonenden die zich hebben verenigd in �Stichting Woongemeenschap Santpoort-Zuid� (hierna: de Stichting) vinden dat het college van B en W ten onrechte ontheffing hebben verleend van de parkeereisen in de bouwverordening. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het college van B en W in redelijkheid ontheffing hebben kunnen verlenen van de in art. 2.5.30 lid 1 van de bouwverordening van de gemeente Velsen gestelde eisen aan beschikbare parkeerruimte. Tegen die beslissing van de rechtbank heeft de Stichting beroep ingesteld dat nu aan de orde is bij de Afdeling.

Bouwverordening

In art. 2.5.30 lid 1 van de bouwverordening wordt geregeld dat: indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto�s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. In lid 4 is geregeld dat het college van B en W ontheffing kunnen verlenen van lid 1:

a.-indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of

b.-voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

In dit geval heeft het college van B en W art. 2.5.30 lid 4 onder b aan de ontheffing ten grondslag gelegd: �voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien�. Het college van B en W heeft zich hierbij gebaseerd op een op 14, 19 en 20 januari 2004 gehouden parkeeronderzoek. Ten behoeve van dit onderzoek naar de parkeerbelasting zijn verschillende tellingen in het onderzoeksgebied uitgevoerd. Hierbij is rekening gehouden met de tijden waarop de bijeenkomsten in het spiritueel centrum plaatsvinden De conclusie van dit onderzoek is dat de parkeerbezetting in dit gebied dusdanig laag is, dat de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan kan worden opgevangen. Bij de berekening van deze parkeerbehoefte is in het onderzoek uitgegaan van de in de �Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom�, van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water, en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW), gehanteerde norm voor kerken en moskeeën, die 0,2 per zitplaats bedraagt.

De Afdeling heeft in een eerdere uitspraak al overwogen (ABRvS 28 juli 2004, zaaknummer. 200400798/1, BR 2004, p.1044) dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Dit bouwplan voorziet in een capaciteitsuitbreiding van het spiritueel centrum van twaalf zitplaatsen. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beoogde capaciteitstoename groter is dan uit de bouwaanvraag en de daarbij verstrekte gegevens naar voren komt.

Noodzakelijk

Ten behoeve van de uitbreiding dient, volgens de eerder genoemde CROW-norm van 0,2 per zitplaats, het bouwplan te voorzien in 2,4 extra parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet zelfs in de realisering van zes nieuwe parkeerplaatsen op eigen terrein. De Afdeling kan dus concluderen dat in de toename van de parkeerbehoefte wordt voorzien en een ontheffing van het vereiste van artikel 2.5.30 lid 1 van de bouwverordening zelfs helemaal niet vereist was.

De rechtbank is er eerder vanuit gegaan dat de ontheffing wél noodzakelijk is. Gelet op de uitkomsten van het parkeeronderzoek, waarvan de Stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze ondeugdelijk of onjuist zijn, kan de conclusie van de rechtbank juist worden geacht. Het college van B en W kon in redelijkheid ontheffing verlenen van de parkeervereisten in de bouwverordening. Kortom: de Afdeling bevestigt hier wat ze in een eerdere uitspraak al eerder hebben beslist. Bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, behoort alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.

Reageer op dit artikel