nieuws

Vertrouwen en formele rechtskracht bij bouwvergunning

bouwbreed Premium

Een bouwvergunning wordt verleend door Burgemeester en Wethouders (B en W) van de gemeente. De feitelijke behandeling van de vergunningsaanvraag heeft evenwel plaats door een gemeentelijke ambtenaar. Aan uitspraken van een ambtenaar die de vergunning behandelt over de betreffende vergunning (of deze wel of niet verleend zal kunnen worden of na verlening in stand zal […]

Een bouwvergunning wordt verleend door Burgemeester en Wethouders (B en W) van de gemeente. De feitelijke behandeling van de vergunningsaanvraag heeft evenwel plaats door een gemeentelijke ambtenaar. Aan uitspraken van een ambtenaar die de vergunning behandelt over de betreffende vergunning (of deze wel of niet verleend zal kunnen worden of na verlening in stand zal blijven) kunnen in beginsel geen rechten worden ontleend. De ambtenaar is niet degene die het besluit neemt, dat zijn B en W. Dit is anders als de vergun-ningaanvrager of vergunninghouder gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de uitspraken van de ambtenaar. De volgende twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak geven een voorbeeld van een situatie waarin het vertrouwen niet gerechtvaardigd was.

Als een ambtenaar een uitspraak doet over een vergunning is dat niet in alle gevallen zonder gevolgen. Er is een ongeschreven rechtsbeginsel, het zogenaamde vertrouwensbeginsel, wat inhoud dat door de overheid gewekt vertrouwen niet mag worden beschaamd.

Wie op goede gronden dacht te mogen vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit zou nemen, wordt door het vertrouwensbeginsel beschermd. Des te meer als de vergunningsaanvrager of vergunninghouder voortbouwend op dat vertrouwen handelingen heeft verricht. In de volgende twee zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak) deed een projectontwikkelaar onder andere beroep op het vertrouwensbeginsel (ABRvS 6 februari 2002, zaaknummer 200005090/1 en 10 mei 2006, zaaknummer 200506124/1). De projectontwikkelaar had een vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwplan �De Lindenhof�. De vrijstelling en de bouwvergunning worden verleend maar tegen deze besluiten wordt bezwaar gemaakt door omwonenden dat door B en W gegrond wordt verklaard. De vrijstelling en de bouwvergunning worden herroepen en de bouwvergunning wordt vervolgens alsnog geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan �Soestdijk 1997�.

De projectontwikkelaar gaat in beroep en vervolgens in hoger beroep; dit is de zaak op 6 februari 2002. De projectontwikkelaar wordt in het ongelijk gesteld. Hij doet nog een beroep op het vertrouwensbeginsel. Destijds heeft namelijk een ambtenaar aangegeven dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en dat de bouwvergunning in stand zou blijven (zie de zaak van 10 mei 2006). Op grond daarvan is de projectontwikkelaar verplichtingen aangegaan met derden.

In de zaak van 6 februari 2002 geeft de Afdeling bestuursrechtspraak aan dat de werking van het vertrouwensbeginsel niet zover strekt dat op grond daarvan in strijd met de wet een bouwvergunning kan worden verleend. Dit is in overeenstemming met de jurisprudentie. Niet alle gewekte verwachtingen worden gehonoreerd. Dit is afhankelijk van een aantal factoren zoals; door wie zijn de verwachtingen gewekt, waardoor zijn de verwachtingen gewekt, in hoeverre is er op grond van de verwachtingen gehandeld en zijn er factoren die zich verzetten tegen het honoreren van het vertrouwen zoals wettelijke regelingen. Het laatste is hier het geval, het bestemmingsplan verzet zich tegen het honoreren van de gewekte verwachtingen en het verlenen van de bouwvergunning.

Schadevergoeding

De projectontwikkelaar laat het er nog niet bij zitten, hij verzoekt om schadevergoeding bij de gemeente omdat hij schade heeft geleden als gevolg van het herroepen en daarna weigeren van de bouwvergunning.

Volgens de projectontwikkelaar is de schade die hij lijdt onevenredig omdat hij op grond van het door het verlenen van de bouwvergunning en het gewekte vertrouwen dat die in stand zou blijven, verplichtingen ten aanzien van derden is aangegaan, waaraan hij niet kon voldoen. De gemeente en daarna de rechtbank wijzen het verzoek af omdat er geen sprake is van buiten het normale ondernemersrisico vallende schade. Belangrijk is de overweging van de rechtbank die daarop volgt; dat de professionele projectontwikkelaar geacht wordt te weten welke risico�s verbonden zijn aan het handelen op grond van een verleende bouwvergunning, voordat deze in rechte onaantastbaar is.

Wanneer een bouwvergunning is verleend, kan tegen dit besluit binnen 6 weken door belanghebbenden (zoals omwonenden) bezwaar worden gemaakt. Dit betekent dat de bouwvergunning in deze 6 weken nog geen zeker bezit is. Het kan immers zo zijn, zoals in deze zaak het geval is, dat het bezwaar wordt gehonoreerd of dat in beroep of hoger beroep de bouwvergunning wordt vernietigd. In juridisch jargon; de bouwvergunning heeft nog geen formele rechtskracht. Het is vaste lijn in de jurisprudentie dat de houder van een bouwvergunning die met bouwen begint voordat het besluit tot verlening van de vergunning onaantastbaar is geworden, voor eigen risico handelt. Echter, dit is alleen anders als de gemeente het vertrouwen heeft gewekt dat de vergunning niet op het ingestelde of nog in te stellen beroep zal worden vernietigd (zie Hoge Raad 29 april 1994, NJ 1997, 396 m.nt. MS). In de zaak van 10 mei 2006 is van gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake. Naast het feit dat een professionele projectontwikkelaar ondanks de uitlatingen van een ambtenaar behoort te weten wat de risico�s zijn van het handelen voordat de bouwvergunning formele rechtskracht heeft, kon er volgens de Afdeling bestuursrechtspraak geen gerechtvaardigd vertrouwen bestaan omdat de projectontwikkelaar het bestemmingsplan kende, althans kon kennen.

Reageer op dit artikel