nieuws

Ik voel me als een jongen met een bouwdoos

bouwbreed Premium

den haag – Op dezelfde dag dat Almere bekendmaakt dat Adri Duivesteijn de nieuwe wethouder stedelijke ontwikkeling wordt, vertelt in Den Haag verkeersminister Peijs in de boezem van het kabinet dat ze de stekker uit de Zuiderzeelijn gaat trekken. Een bijzondere dag voor het PvdA-kamerlid: Nederland wordt, nadat hij de vinger op de gevoelige plek legde, behoed voor een nieuw peperduur megaproject en zelf wacht hem een nieuwe baan. Een hele mooie baan: “Ik voel me net een jongen die een bouwdoos krijgt.”

Na twaalf jaar kamerlidmaatschap houdt Adri Duivesteijn (55) het in Den Haag voor gezien. Na zijn tumultueus verlopen wethouderschap in Den Haag sluit hij opnieuw een voor hem spraakmakende periode af. Een periode waarin hij op gezette tijden “de boel” flink in beweging bracht, werd verguisd vanwege zijn aanvallen op “zakkenvullende” projectontwikkelaars of de “confectie” in de woningbouw, in het bijzonder in de Vinex-wijken, danwel geprezen voor zijn gedrevenheid op het terrein van de volkshuisvesting.

Het vertrek valt hem zwaar, overtuigt hij. “Dit is toch de plek waar je het maatschappelijk debat kunt voeren. Het hart van de materie kunt raken. Het is niet een jas die je zo maar uit doet.” Maar toch, het is ook wel mooi geweest. Kamerlid zijn is lang niet altijd zo bevredigend, vindt hij. “De meeste mensen willen gewoon weten of je akkoord gaat of niet. In je opvattingen zijn ze niet geïnteresseerd.” En bovendien zag hij zelf steeds vaker de vermoeide gezichten: daar heb je Duivesteijn weer. “Je hebt altijd commentaar op het werk van een ander. De beste stuurlui staan aan wal. Nou deze dus niet. Ik wil laten zien dat het kan.”

Praten over wat allemaal kan, doet Duivesteijn deze middag het liefst. Terugblikken is prima, maar vooral niet te lang.

Goed, hij kan tevreden zijn. Dat hij aan de wieg heeft gestaan van het onafhankelijke Ruimtelijk Planbureau en over zijn nimmer aflatende strijd tegen de eentonige te kleine en te dure nieuwbouwhuizen, waarbij architecten hun creativiteit hooguit op de geveltjes mogen loslaten.

Zijn deelname aan de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid, waarbij wat hem betreft overigens de laatste steen pas boven is als er nader onderzoek naar kartelvorming op Vinex-locaties is gedaan. “We hebben nog steeds geen antwoord van minister Brinkhorst daarover. Heel merkwaardig.”

Tevreden is hij ook over zijn rol als voorzitter van de Tijdelijke Commissie Infrastructurele projecten, die ervoor heeft gezorgd dat de politiek zich nog eens ging beraden of het wel zin heeft 2,7 miljard in een snelle verbinding met het noorden te steken.

Duivesteijn vindt het “verstandig” dat het kabinet op het grote project is teruggekomen. Een “heel realistisch” besluit dat wel moest vallen omdat, zo was hem tijdens het TCI-onderzoek al gebleken, de onderbouwing van de noodzaak van het project uitermate zwak was.

Het kamerlid veert op als hem wordt gevraagd naar een reactie op opmerkingen van zijn partijgenoten uit het noorden. Hij hoont de kritiek weg dat geen enkel toekomstig openbaar vervoersproject de verplichte toets van zijn commissie zal kunnen doorstaan (commissaris van de koningin Alders) en dat de macht in handen is gekomen van “bange, saaie rekenmeesters” (burgemeester Wallage).

“Dat zijn clichés van politici die graag hun plannen gerealiseerd willen zien. Dat van die rekenmeesters is ook echt onzin. Het heeft niets met rekenen te maken. Als alle deskundigen onafhankelijk van elkaar concluderen dat de doelstellingen niet worden gehaald, dan heb je het over wensdenken. Maar we praten hier wel over miljarden aan investeringen; dan is het toch niet gek dat de politiek moet aantonen dat het maatschappelijk nuttig en noodzakelijk is. Ik denk trouwens dat geen enkel ov-project of weg zonder tol rendabel is. Daarom heet het ook maatschappelijk nuttig en noodzakelijk.”

Wat Duivesteijn betreft is het “onzin” dat grote projecten niet meer zouden kunnen. “Grote projecten moeten”. Projecten die de internationale economische structuur versterken, zoals die in de Noordvleugel en Zuidvleugel. “Het is evident dat het ongewenst is als er mensen de hele dag in de file staan. Ik pleit zelf al jaren voor en metro-net onder de Noordvleugel en de Zuidvleugel.”

En daarmee is Duivesteijn waar hij het liefst wil zijn: zijn plannen, wensen, Almere. Een stad die bij hem pas echt in beeld kwam toen hij werd gepolst voor het wethouderschap. Of hij wilde “gaan meedenken” aan het proces om Almere met 50.000 woningen te laten groeien. “Voor mij is dit een fenomenale uitdaging. Ik ben altijd bezig met de vraag hoe je met behulp van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en stadsvernieuwing voorwaarden kunt creëren die een samenleving die kansen biedt. De verbinding leggen tussen de kwaliteit van het leven en wonen, de meest primaire behoefte, is toch mijn grote passie.”

Toegegeven, de eerste keer dat Duivesteijn naar Almere ging voor een nadere kennismaking was dat met de nodige huiver. “Daar wil ik wonen, was absoluut niet mijn eerste gedachte.” Maar hij was aangenaam verrast door het nieuwe centrum in de stad. “Dat centrum heeft de stad ineens een nieuwe laag gegeven. Het toont aan dat je met een plan Almere letterlijk kan optillen en sterkt mij in de gedachte dat de stad met relatief overzichtelijke ingrepen veel krachtiger kan worden.”

Hij komt, zo zegt hij zelf, in Almere in een opgemaakt bedje. “Je springt op een rijdende trein en kan mede de richting bepalen.” Zijn voorganger Arie-Willem Beijl heeft “fantastisch” werk verricht. Diens plannen voor wonen op het water pakt het kamerlid graag op. In zijn visie moet de introverte stad die Almere nu is zich naar buiten, op het IJsselmeer en Amsterdam gaan richten. “Langs de kustlijn liggen geweldige kansen.”

Duivesteijn houdt zijn kiezen op elkaar over specifieke plannetjes die ongetwijfeld al bij hem zijn opgekomen. Eén idee geeft hij al wel prijs. De nieuwe wethouder zou graag inspelen op de huisvestingsbehoefte van ouderen in Almere en Amsterdam. “Ik denk dat er in Almere voor ouderen uitgesproken kansen liggen. Geen enclave-achtige gebieden maar iets bijzonders. Seniorenbouw die mensen triggert maar niet stigmatiseert. Als er ergens een plek is waar je dat zou kunnen realiseren is het Almere.”

Projectontwikkelaars

Waar hij het individuele opdrachtgeverschap wil gaan toepassen weet hij nog niet. “Je zit met een bouwopgave en zal dus intelligent moet kijken waar je het wil en wanneer.” Bevreesd dat hij vastloopt op onwelwillende projectontwikkelaars met grondposities is hij niet. “Veel grond is in handen van Domeinen en de gemeente.”

Uitgangspunt bij de nieuwbouw is hoe dan ook dat de door hem zo verafschuwde “minimale maten tegen maximale opbrengst” woningen geen kans krijgen. “Nieuwbouw moet iets zijn waar je geen exorbitante winsten op maakt. Er zijn veel mensen die heel veel verdienen aan woningbouw. Dat geld hoort in de woningen te zitten.”

Gezien de “vele belangen� en de productie die de stad moet leveren, is het geen sinecure om maximale woonkwaliteit tegen minimale winst te behalen. “We moeten bondgenoten zoeken die het avontuur willen aangaan, bij wie het niet om het grote snelle geld, maar om de maatschappelijke opdracht gaat. Er zijn gelukkig corporaties en ontwikkelaars die het willen doen.”

�De beste stuurlui staan aan wal.

Nou, deze dus niet�

Reageer op dit artikel