nieuws

Bezwaren bij verloop bestemmingsplanprocedure

bouwbreed Premium

Regelmatig worden bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) geschillen aanhangig gemaakt die betrekking hebben op de goedkeuring van een bestemmingsplan door gedeputeerde staten. Vaak bestaan er formele bezwaren met betrekking tot het verloop van de bestemmingsplanprocedure tot dan toe, bijvoorbeeld de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. […]

Regelmatig worden bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) geschillen aanhangig gemaakt die betrekking hebben op de goedkeuring van een bestemmingsplan door gedeputeerde staten. Vaak bestaan er formele bezwaren met betrekking tot het verloop van de bestemmingsplanprocedure tot dan toe, bijvoorbeeld de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. In een recent geschil voor de Raad van State is het bestemmingsplan �t Zand� aan de orde.

Het bestemmingsplan in het geschil voor de Raad van State (ABRvS 8 februari 2006, zaaknummer 200502736/) is bij besluit van 13 juli 2004 door de gemeenteraad van �s-Hertogenbosch vastgesteld. Hierna hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: GS) het bestemmingsplan goedgekeurd. �Bewonersvereniging het Zand� en een aantal andere partijen (hierna: bewonersvereniging) hebben beroep ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van GS, een aantal van de beroepsgronden wordt hieronder besproken.

Vaststelling

De bewonersvereniging maakt bezwaar tegen het feit dat het plan niet binnen vier maanden na afloop van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan is vastgesteld.

In artikel 25 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is geregeld dat binnen acht weken, of indien tijdig zienswijzen tegen het ontwerp naar voren zijn gebracht, binnen vier maanden na afloop van de terinzagelegging van een bestemmingsplan de gemeenteraad moet beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. In dit geval zijn zienswijzen naar voren gebracht, dus geldt de termijn van vier maanden.

Volgens de Raad van State treft het bezwaar van appellanten dat het plan niet ingevolge art. 25 van de WRO binnen vier maanden na afloop van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan is vastgesteld, geen doel. De termijn van acht weken, respectievelijk vier maanden, waarbinnen de gemeenteraad omtrent de vaststelling moet beslissen, is geen fatale termijn. Dat wil zeggen dat er geen gevolgen aan zijn verbonden. Ook na het verlopen van de termijn blijft de gemeenteraad bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen. Het is echter wel zo dat de aanhoudingsplicht van aanvragen om bouw- en aanlegvergunning (art. 50 Woningwet en art. 46 WRO) vervalt indien het bestemmingsplan niet binnen acht weken, respectievelijk vier maanden, is vastgesteld.

De aanhoudingsplicht is ingesteld om te voorkomen dat, wanneer het gemeentebestuur druk bezig is met het ontwikkelen van een ontwerp-bestemmingsplan in de tussentijd allerlei, het nieuwe plan frustrerende, ontwikkelingen zouden kunnen plaatsvinden. Om dergelijke negatieve ontwikkelingen te voorkomen heeft de wetgever ten aanzien van bouw- en aanlegvergunningen bepaald dat zodra een ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage is gelegd aanvragen voor bouw- of aanlegvergunning die op basis van het geldende plan zouden moeten worden ingewilligd, gedurende de vaststellingsprocedure moeten worden aangehouden. Daarom geven de meeste gemeenten er de voorkeur aan het plan binnen de termijn vast te stellen.

Persoonlijk

Als de aanhoudingsplicht vervalt houdt dat in dat de bouw- en aanlegvergunningen die tot op dat moment zijn aangevraagd en die niet konden worden geweigerd moeten worden verleend. Op het moment dat de gemeenteraad het bestemmingsplan alsnog vaststelt gaat de aanhoudingsplicht weer gelden. De bewonersvereniging brengt ook naar voren dat het vastgestelde bestemmingsplan ten onrechte in een vakantieperiode ter inzage heeft gelegen.

De Raad van State overweegt hier dat noch de WRO noch de Algemene wet bestuursrecht zich tegen die handelwijze verzet. Er staat dus niets in deze wetten vermeld waaruit zou blijken dat terinzagelegging in de vakantieperiode niet is toegestaan. De bewonersvereniging stelt nog dat de voorzitter van de commissie Ruimtelijke Ontwikkelingen en Beheer tijdens een hoorzitting heeft toegezegd rekening te houden met de bezwaren tegen terinzagelegging in de vakantieperiode. En dat ook de gemeenteraad in de Bossche Omroep (het huis-aan-huisblad) heeft meegedeeld dat uit een oogpunt van klantvriendelijkheid terughoudendheid zal worden betracht in het voeren van juridische procedures in de komende vakantieperiode. Maar ook dit mag niet baten. De Raad van State overweegt dat deze uitlating niet van dien aard is dat erop vertrouwd mocht worden dat terinzagelegging niet in de vakantieperiode zou plaatsvinden. De Raad van State vindt dat niet onzorgvuldig is gehandeld door de gemeente door het vastgestelde plan in de vakantieperiode ter inzage te leggen.

Ten aanzien van het bezwaar van de bewonersvereniging dat niet alle indieners van een zienswijze persoonlijk in kennis zijn gesteld van de vaststelling van het plan door de gemeenteraad, overweegt de Raad van State dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging.

In de WRO of enig ander wettelijk voorschrift is niets vermeld waaruit zou blijken dat (in een geval als hier aan de orde) alle belanghebbenden persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld van vaststelling van het plan door de gemeenteraad. Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat aan alle indieners van een zienswijze een kennisgeving van het vaststellingsbesluit is verstuurd.

De Raad van State oordeelt tot slot dat GS het plan terecht hebben goedgekeurd. Mede gelet op deze formele bezwaren van de bewonersvereniging.

Reageer op dit artikel