nieuws

Leg benodigde verklaringen bij inschrijving niet achteraf terzijde

bouwbreed

Soms blijkt na inschrijving een aanbesteder veel te hoge eisen te hebben gesteld. Door deze aanpak kan hij zichzelf wel eens in de vingers snijden. De gestelde eis kost de aannemer bijvoorbeeld heel veel geld, waardoor de aanneemsom/inschrijving aanzienlijk duurder uitpakt dan wanneer die eis niet gesteld was. Of er zijn maar een paar aanbieders die aan die eis kunnen voldoen waardoor de keuze van de aanbesteder ook danig wordt beperkt. Wat nu als men achteraf ontdekt dat men de eis niet hadwillen stellen?

In een recent geval voor de Raad van Arbitrage (RvA 20 juli 2005, no. 27.649) speelde een dergelijk geval. De aannemer stelde een eis waaraan slechts één inschrijver bleek te hebben voldaan. Dee

aannemer was zeker niet de goedkoopste. Sterker nog, de inschrijving van de afgewezen inschrijver lag zelfs 50 procent hoger dan de laagste inschrijving. En dus wilde de aanbesteder van de door hemzelf gestelde eis af. Hij gunde het werk aan een lagere inschrijver die niet aan de gestelde eis voldeed. De afgewezen inschrijver stapte naar de Raad van Arbitrage.

Voor de Raad stelde de afgewezen inschrijver (dus die met de hoogste prijs en mét verklaring) dat de andere twee inschrijvers niet aan de gestelde eisen, namelijk het inleveren van de �benodigde verklaringen� voldoen. Hij meent dat hij onterecht is gepasseerd door de aanbesteder. Met de door de aanbesteder gevraagde �benodigde verklaringen� wordt gedoeld op de verklaring als bedoeld in artikel 12 van het inschrijvingsreglement in het bestek. Volgens dit artikel dient in de verklaring te worden aangegeven dat bij de voorbereiding van de inschrijving rekening is gehouden met de verplichtingen ingevolge de regelingen inzake arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden, die gelden op de plaats waar het werk wordt uitgevoerd.

Om onder de eis uit te komen stelt aanbesteder dat deze bepaling per vergissing in het bestek is terecht gekomen en feitelijk een zinloze verklaring vormt, of zoals hij zegt �zinledig� is. Het werk moet volgens hem immers worden uitgevoerd aan de landzijde van de duinenrij, waar geen sprake is van bijzondere arbeidsomstandigheden, waarvoor beschermende maatregelen moeten worden getroffen.

Arbiters zijn echter niet overtuigd geraakt van de door aanbesteder gestelde zinledigheid van de verklaring. Zij zijn ook niet van mening dat de eisende inschrijver had moeten begrijpen dat aanbesteder een voor dit werk zinledige verklaring vroeg, waarvan de overlegging geen enkele relatie zou hebben met de geldigheid van de inschrijving. Het kan zijn dat aan de zeekant van de duinenrij de arbeidsomstandigheden om bijzondere maatregelen vragen die kostprijsverhogend kunnen werken. Daarmee is echter nog niet gezegd dat aan de landzijde niet evenzo bijzondere maatregelen nodig zullen blijken.

De afgewezen inschrijver hield er bij zijn inschrijving rekening mee dat de benodigde verklaring mogelijk gevraagd werd met het oog op eventuele buitenlandse inschrijvers. Deze dienden te voldoen aan de eisen op de plaats van het werk, dat wil zeggen aan de Nederlandse algemene regelingen omtrent arbeidsomstandigheden en arbeidsbescherming. De afgewezen inschrijver heeft artikel 12 van het inschrijvingsreglement aldus begrepen dat nu dit soort omstandigheden invloed kunnen uitoefenen op de prijsvorming, aanbesteder kennelijk vooraf heeft willen vastleggen dat maatregelen in verband met regelingen omtrent arbeidsomstandigheden en arbeidsbescherming niet kunnen leiden tot bijbetaling boven de inschrijfsom. Ook heeft de aanbesteder gezien zijn eigen gedraging de eis van de verklaring kennelijk niet zinledig geacht. Hij heeft namelijk de betreffende verklaring alsnog van de laagste inschrijver gevraagd en ook gekregen. De aanbesteder zegt weliswaar dat de laagste inschrijver deze verklaring uit zichzelf heeft gegeven, maar de aanbesteder heeft die verklaring niet als overbodig en zinledig afgewezen, maar ontvangen en aanvaard.

Aanbesteder meent dat de aanbesteding geheel ongeldig wordt, omdat bij het vasthouden aan de ontbrekende verklaring er maar één geldige inschrijving overblijft. Hierdoor is volgens aanbesteder geen sprake meer van een in concurrentie ontstane aanbieding. Arbiters zijn van oordeel dat de aanbiedingen in vrije concurrentie zijn gedaan en dat het aantal uiteindelijk geldig gebleken aanbiedingen niet aan de geldigheid van de aanbesteding toe of af doet. Dit zou alleen anders kunnen zijn indien er helemaal geen geldige inschrijvingen overblijven, maar dat is nu niet het geval. Dat het werk bij gunning nu opgedragen moet worden aan de inschrijver met een inschrijfsom die 233.100 euro ofwel bijna 50 procent hoger dan de laagste inschrijfsom, kan vanzelfsprekend geen argument zijn om de door aanbesteder zelf gekozen regels geweld aan te doen. Dat deze kosten uiteindelijk door �de gemeenschap� gedragen moeten worden, is een logische consequentie van de procedure. Concluderend kan men zeggen dat je dus niet zelf gestelde eisen terzijde kan leggen als de gevolgen ervan je uiteindelijk niet blijken aan te staan.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels