nieuws

Portiekwoningen uit vijftiger jaren: klein maar met zorg ontworpen

bouwbreed

In de periode 1920 tot en met 1965 is de portiekwoning een belangrijk onderdeel geworden van de gestapelde sociale woningbouw. Als vorm sluit ze aan bij de traditionele meergezinswoningen (beneden-/bovenwoningen) en particuliere huizen. De oorspronkelijke portiekwoningen worden nog als totaal vormgegeven. De gebouwen hebbenaltijd ritme en maat, alleen al door de portiekontsluiting. Detotale gebouwen kunnen soms ogen als grote stadswoningen,met een klassieke, statige uitstraling.

De portiekwoning is een echt vijftiger jaren product. In die periode zijn de meeste portiekwoningen gebouwd. De grootte kan sterk verschillen: van zeventig tot honderdvijf vierkante meter. De aardigheid van een portiek is dat het aantal woningen dat iets gemeenschappelijks deelt, beperkt is. Een groep van zes tot zeven huishoudens is over het algemeen in staat zonder bemoeienis van buiten in overleg tot overeenstemming te komen.

De portiekwoningen uit de vijftiger jaren zijn klein, maar vaak ook gelegen in een goede stedenbouwkundige context en met zorg ontworpen. Een voorbeeld hiervan is het Klaproosplein (in Bergen op Zoom).

De tweeënveertig portiekwoningen zijn gebouwd in 1958. De plattegrond is hokkerig en de afmeting voldoet niet meer aan de huidige eisen van een vierkamerwoning (48 in plaats van 65 vierkante meter woonoppervlak). Door de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit onderscheidt zich het complex in positieve zin. De architectuur is gelieerd aan de Delftse School met een Engels accent. Het gebouw laat toevoegingen niet toe, dus verbetering van de woontechnische kwaliteit zal binnen het gebouw plaats dienen te vinden. De vierkamerwoningen zijn geschikt te maken als tweekamerwoningen, door het wijzigen van de indeling, en als drie- en een vierkamerwoning, door het verticaal samenvoegen van drie woningen tot twee. Verder wordt de samenhang in het hofje hersteld door herinrichting van het binnengebied. Een ingrijpende maar verantwoorde ingreep, gezien de stedenbouwkundige en architectonische waarde. Wanneer deze waarde niet aanwezig is, zijn dezelfde ingrijpende maatregelen nodig, maar nauwelijks te verantwoorden. Het lot van dergelijke portiekwoningen ligt in de specifieke eigen waarden die ze bezitten.

Er zijn later ook ruimere portiekwoningen gebouwd. De Prontoflats (in Eindhoven) zijn hier een voorbeeld van. De flats uit de zestiger jaren zijn veelal gesitueerd in het groen, dat na bijna veertig jaar tot wasdom is gekomen. De flats zijn overeenkomstig de bouwopgave van die tijd: sober, uniform en doelmatig, met een �ruime� plattegrond. De renovatie van de flats is er vooral op gericht het wooncomfort naar individuele wens te verhogen. Keuken, toilet en douche zijn in hoge mate aangepast aan de individuele wensen: van sober tot extra luxe.

De werkzaamheden aan schil en entrees zijn vooral ondersteunend aan de bestaande geleding van het gebouw, met een lichte accentuering van de entrees. Een voorzichtige aanpak van een broze kwaliteit. Eind zestiger, begin zeventiger jaren werden de woningen nog ruimer en lagen veelal temidden van stempels van eengezinswoningen. Een voorbeeld hiervan is de Deimosweg in Eindhoven. Het woongebouw heeft een bijzondere ligging door de situering op de as van de Mercuriuslaan (een wijkontsluitingsweg met een zeer breed profiel). Temidden van de stempels met eengezinswoningen is er sprake van specifieke verkaveling: een zelfstandig woongebouw in een parkachtige setting. De architectuur is karakteristiek voor die van rond 1970: een strak bouwblok, waarbij de horizontale en verticale geleding wordt gevormd door de toegepaste materialen (twee soorten metselsteen, uitgewassen beton, betonnen hoekkolommen) en de gaten (balkons en entrees).

Samenvattend is het flatgebouw te typeren als een zelfstandig woongebouw met uitzicht, gelegen in een groene oase. Door de grootte en de ligging van de woningen liggen deze goed in de markt, ook voor het meer draagkrachtige deel hiervan. Hierdoor, en ook doordat er veel ouderen wonen, worden er tijdens de renovatie liften geplaatst. In het ontwerp is gezocht naar een eenvoudige oplossing. Gekozen is voor een beperkte uitbouw, waarin de nieuwe gemeenschappelijke trap een plaats krijgt, zodat in de vrijkomende ruimte een compacte cabinelift geplaatst kan worden.

Bij de aanpak is het uitgangspunt geweest de oorspronkelijke architectuur zoveel mogelijk te respecteren. Het trappenhuis is een transparante toevoeging, die tevens de entree accentueert (zowel overdag als �s avonds). De entreepui is vernieuwd en met de toegang naar de bergingen tot één geheel gemaakt. De kozijnen van entree en trappenhuis zijn van naturel hardhout, om zo het onderscheid met het bestaande aan te geven en er een luxere uitstraling aan te geven. Binnen de woning wordt het wooncomfort optimaal afgestemd op de bewoner. Keuken, douche en toilet geheel naar eigen keuze. Met deze aanpak is de toekomst van deze woningen voor langere tijd verzekerd. Voor nieuwbouw zijn deze woningen concurrenten met een voordeel. De toekomst van bestaande portiekwoningen is vooral gelegen in de specifieke kwaliteiten en waarden, die ze reeds bezitten. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn architectuur en beschikbare ruimte, in combinatie met een passend woonmilieu. Verder laat de beperkte schaal van gemeenschappelijkheid ook gedifferentieerde aanpak toe. De portiek is de eenheid, die de toekomst bepaalt en niet het boekhoudkundige complex.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels