nieuws

We zijn te weinig trots op wat we doen

bouwbreed

delft – TNO Bouw en Ondergrond heeft intern de deuren al opengezet teneinde een betere communicatie onder de achthonderd onderzoekers te creëren. Dat moet nu ook extern gebeuren, vindt ir. P.C. van Staalduinen, directeur Markt van TNO Bouw en Ondergrond. “Onze medewerkers zijn nog te weinig trots op wat ze doen.”

Volgens Van Staalduinen zijn onderzoekers niet bepaald het type dat meteen klaarstaat om de buitenwereld te tonen waarmee ze bezig zijn. “Deze houding delen ze met de bouwsector, die zich ook wel beter mag presenteren. De vele goede dingen die er gebeuren, worden te weinig onder de aandacht gebracht.”

De deuren moeten open, is zijn standpunt. Dat is intern gebeurd bij TNO Bouw en Ondergrond door een reorganisatie waarbij verscheidene instituten werden samengevoegd. Het gebouw waar zo�n krap achthonderd onderzoekers werken, is zo ingericht dat medewerkers elkaar voortdurend tegenkomen. Ze moeten zoveel mogelijk gebruikmaken van elkaars kennis en mogelijkheden, omdat dit de kwaliteit, efficiëntie en presentatie van het werk ten goede komt.

Maar ook extern moet de trom worden geroerd. “Onze medewerkers zijn nog te weinig trots op wat ze doen, ik denk dat we onze verdiensten heel erg onderschatten. Dat geldt evengoed voor de Nederlandse bouwsector. Die heeft zich de afgelopen jaren enorm in de hoek laten praten. Terwijl daar toch ook geweldige prestaties worden geleverd. Er is veel vernieuwing in de bedrijven, daar wordt hard aan getrokken en dat moeten we meer laten zien. Goed voor het imago. Als daaraan niets gebeurt, zijn er over een tijdje veel te weinig mensen die kiezen voor werken in de bouw en dan is er een groot probleem.”

Uit de onderzoeksopdrachten die zijn dienst krijgt, blijkt volgens Van Staalduinen wel hoe druk bedrijven bezig zijn met het maken van nieuwe en betere producten en het moderniseren van hun productieprocessen. Vooral op het gebied van industrieel bouwen en duurzaamheid kunnen nog enorme slagen worden gemaakt. “Al is de Nederlandse bouw in verhouding met andere landen al heel ver.”

Industrialisatie van het bouwproces hoeft niet tot eenvormigheid te leiden, onderstreept hij nog maar eens. “Integendeel. Prefab heeft een beetje een Oost-Europese klank gekregen, in de zin van niet zo goed en weinig gevarieerd. Dat is niet terecht, want je kunt er een hoge kwaliteit mee leveren en tegelijk heel flexibel zijn. Nederlanders willen nu eenmaal wonen in een huis van baksteen. Maar dat zul je dan wel industrieel moeten produceren, anders kun je zo�n huis straks niet meer leveren of het wordt heel erg duur. Reken maar dat bedrijven daarmee bezig zijn, net als wij dat doen. Zo zijn we met een aantal gespecialiseerde bedrijven aan het studeren op systemen voor het volledig industrieel produceren en leveren van buitengevels.”

De belangrijkste innovaties op het gebied van duurzaam bouwen zijn volgens hem gericht op de bestaande voorraad. “De focus ligt nog erg op nieuwbouw maar als je langs die weg duurzaamheid wil bereiken, zal dat heel lang duren. Het op een creatieve manier kijken naar de bestaande voorraad, het upgraden daarvan, kan veel meer opleveren. Dat is de grote opgave waarvoor we staan.”

“Kennis moet stromen”, is zijn overtuiging. De reden dat TNO zo�n 70 jaar geleden werd opgericht was, dat Nederland wetenschappelijk weliswaar sterk was, maar het mkb maar weinig van al die universitaire kennis oppikte. “Die indruk, dat het Nederlandse bedrijfsleven te weinig vernieuwend is, bestaat ook nu nog. Toch zijn wij in de bouwwereld goed thuis”, schetst hij de vooruitgang die is geboekt. En niet alleen bij de grote bedrijven maar juist ook bij het mbk.” Kleine, gespecialiseerde aannemers als dakdekkers, metselbedrijven, voegbedrijven, die hun werkwijze willen verbeteren, werken daarvoor samen met TNO. “Die zoeken het in productiegerichte verbeteringen. Daarnaast zien wij de grote allroundbedrijven die een beweging aan het maken zijn richting klant.”

TNO opereert in opdracht van het Rijk op de markt met een vastomlijnde missie, die wettelijk is vastgelegd. “De overheid is uiteindelijk onze stakeholder”, beschrijft Van Staalduinen de rol van zijn organisatie. Maar vooral internationaal, gelden de keiharde wetten van de markt. “Want in alle landen hebben ze TNO-achtige instituten. Je ziet daarom overal specialisaties ontstaan. Wij zijn sterk in brandveiligheid, risicoanalyse, constructieve veiligheid, materiaalkunde, binnenklimaat en duurzame energietoepassingen. Die internationale bedrijven komen alleen bij ons als we de beste zijn. En we kunnen alleen zo goed blijven als we van hen opdrachten blijven krijgen. Want al maken we de resultaten van onderzoek voor zulke commerciële opdrachtgevers niet openbaar, we worden er zelf wel slimmer van. Zo blijven we in de eredivisie.”

Een belangrijke klant is van oudsher de toeleveringsindustrie. Die vormt de meest internationale markt, naast de olie- en gasindustrie. “Bijna alle toeleveringsbedrijven opereren internationaal, je ziet er maar weinig specifiek Nederlands bij.”

Het contrast met de bouwwereld kan haast niet groter zijn. “Onze opdrachten die daarover gaan, zijn nog voor 85 procent Nederlands gefinancierd. Overal in Europa zie je weliswaar dezelfde ontwikkelingen, van industrialisering en tegelijk flexibilisering, maar de bouw blijft toch erg nationaal, ook voor ons. Want je bent voor toepassingen heel sterk gebonden aan de bedrijven die in de sector werken en hun historie, hoe ze gewend zijn zaken aan te pakken. De ervaring, de bouwcultuur, verschilt van land tot land.”

Dat is te zien aan de huizen, al is het maar aan de trappen, bijvoorbeeld, die in Nederland veel steiler zijn dan in Duitsland. Ook de transportafstanden maken van de bouwproductie een plaatselijke aangelegenheid, weet hij. “Een huis is nu eenmaal geen auto.”

Wat de bedrijven verwachten voor de toekomst is hem duidelijk, al blijft de toekomst voorspellen een hachelijke zaak. “Juist daarom is aanpasbaarheid een belangrijke eis. “Vaststaat dat de ontwikkelingen in de bouw doorgaan in de zin van meer comfort, sneller bouwen, meer waarde voor hetzelfde geld, minder energieverbruik en meer duurzaamheid in het algemeen, op al die gebieden valt nog veel te bereiken. Alleen wat de overheid wil is momenteel niet zo duidelijk. Het zou erg helpen als de overheid meer concrete doelstellingen formuleert waar ze naartoe wil op het gebied van zaken als energieverbruik.

�Van alle opdrachten worden wij slimmer�

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels