nieuws

Minder geschoolde werknemer heeft zwakke beroepsbinding

bouwbreed

Met de roep om meer arbeidsflexibiliteit lijkt het beroep zijn betekenis als oriëntatiepunt te verliezen. Het accent ligt op inzetbaarheid, verandering van baan en functie (job-hopping), en arbeidsmobiliteit. Het beroep voor het leven lijkt volgens Kees Kok evenals de baan voor het leven zijn langste tijd te hebben gehad. Maar hoe flexibel zijn de beroepsloopbanen van bouwwerknemers momenteel? Daarover blijkt nog maarweinig bekend te zijn.

Alle kenniscentra herzien momenteel de kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs. In de nieuwe opzet staat het denken in (beroeps)competenties centraal. Gedetailleerde beschrijvingen van taken en functies verdwijnen en maken plaats voor algemenere eisen.

Om meer inzicht te bieden in de feitelijke beroepsloopbanen van bouwwerknemers zijn door het EIB alle bouwwerknemers in hun beroepsloopbaan gevolgd in de periode 1994 tot 2001.

Van alle in 2001 nog actieve bouwwerknemers uit de groep van 1994 is bijna 85 procent nog steeds werkzaam in hun oorspronkelijk beroep. Vijftien procent is van beroepsgroep veranderd waaronder drie procent meer dan eens. Tussen beroepsgroepen zijn verschillen. Vooral werknemers met een beroep dat minder scholing vergt hebben een relatief zwakke beroepsbinding. Zij veranderen meer van beroep dan timmerlieden, metselaars, uitvoerders en administratieve krachten.

De beroepsmobiliteit onder timmerlieden is 11 procent, die van metselaars 15 procent en die van uitvoerders 14 procent. Bij werknemers met een minder geschoold beroep is dit percentage echter 28.

De doorstroming van lagere en midden- naar hogere beroepen bedraagt in de bouw 5 procent. Tot de hogere beroepen worden kader-, leidinggevende en administratieve beroepen gerekend. Omgekeerd heeft 3 procent van de bouwwerknemers die in 1994 een hoger beroep had, in 2001 een lager of middenberoep.

Voor timmerlieden, metselaars maar ook voor werknemers met een minder geschoold beroep zijn de belangrijkste carrièremogelijkheden het beroep van uitvoerder, werkvoorbereider, calculator en het directeurschap. Driekwart van de timmerlieden die naar een hoger beroep zijn doorgestroomd is uitvoerder geworden (Zie figuur �Doorstroming van timmerlieden naar hogere beroepen, 1994-2001�).

In het noorden van Nederland is de doorstroming naar een hoger beroep lager dan in de andere regio�s. Hoge beroepsmobiliteit en relatief lage doorstroming naar hogere beroepen lijkt kenmerkend voor de relatief minder gunstige arbeidsmarktsituatie in het noorden. In het westen van Nederland geldt de tegenovergestelde situatie. De verhoudingsgewijs gunstiger economische situatie in deze regio biedt meer kansen om naar andere beroepen door te stromen.

Een loopbaan is niet enkel te verklaren uit individuele kenmerken en verrichtingen. Er zijn immers banen nodig om te realiseren wat mensen willen of kunnen.

In de grond-, water- en wegenbouw (gww) is de kans dat werknemers van beroep veranderen groter dan bij werknemers in de burgerlijke en utiliteitsbouw. Ook bouwwerknemers die in dienst zijn van gespecialiseerde aannemers veranderen verhoudingsgewijs meer van beroep dan werknemers die in dienst zijn van hoofdaannemers.

Bouwwerknemers die werkzaam zijn bij kleine bedrijven tenslotte veranderen meer van beroep dan werknemers in dienst van grote bedrijven. Voor de doorstroming naar hogere beroepen geldt echter het omgekeerde. De kansen om een hoger beroep uit te oefenen nemen toe met de bedrijfsgrootte. Dat wil zeggen tot bouwbedrijven met meer dan 100 werknemers in dienst. Bij bouwbedrijven met meer dan 100 werknemers blijkt de doorstroming van timmerlieden en metselaars naar hogere beroepen verhoudingsgewijs lager. Hoe is dit verschijnsel te verklaren? Bekend is dat naarmate een bedrijf groter is, het belang van het indirecte personeel toeneemt. Grote bedrijven hebben relatief veel ondersteunend en controlerend personeel in dienst. Veel van deze functies worden vervuld door werknemers die rechtstreeks van school komen, zoals hbo�ers en werknemers met een academische achtergrond. Deze toestroom kan de doorstroming vanaf de werkvloer naar de hogere beroepen afremmen.

Drs. K. Kok

Economisch Instituut Bouwnijverheid (EIB), Amsterdam

kkok@eib.nl

Beroepsmobiliteit onder timmerlieden is 11 procent

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels