nieuws

Overheid mijdt risicos uit angst voor instortingen Hoofdconstructeur

bouwbreed

den bosch – Na de geruchtmakende instortingsgevallen in Hoorn, Maastricht, Leeuwarden en Tiel, zijn sommige controlerende instanties erg op safe gaan spelen. Daarbij worden dan extreem hoge eisen gesteld aan constructies die normaliter als voldoende veilig worden beschouwd.

Het is begrijpelijk, maar het kost de samenleving op termijn veel tijd en geld als steeds meer controlerende instanties het begrip voortschrijdende instorting tot hoofdzaak van hun veiligheidsbeoordeling bombarderen.

In het vakblad Cement van deze week, uitgegeven door de ENCI, spreekt ir. A. Engels van DHV Bouw en Industrie zijn grote zorg uit over deze ontwikkeling. “De laatste tijd ervaren wij, dat een absolute interpretatie wordt gegeven aan het incasseringsvermogen – secundaire veiligheid – van gebouwen. Normaal wordt gezorgd voor een tweede draagweg óf voor een preventieve extra bescherming van specifieke onderdelen. Nu suggereert de overheid, dat elk essentieel onderdeel van een gebouw een tweede draagweg noodzakelijk maakt. Dit is een formeel juridische, absolute uitleg van de normtekst, die voorbijgaat aan de vraag of het wel logisch is dat een onderdeel kan wegvallen.”

In de aangescherpte situatie moeten soms ook kolommen die zich diep in een gebouw bevinden, verzwaard worden uitgevoerd, al kan niemand aangeven welk extra veiligheidsrisico ze moeten kunnen trotseren. Voorheen werden deze als voldoende veilig aangemerkt.

Als de actuele invulling van het begrip voortschrijdend instorten verdere navolging zou krijgen, en daar lijkt het steeds meer op, dan heeft dat grote gevolgen voor de prefab betonnen en/of stalen stapelbouw en de door de overheid gewenste ontwikkelingen rond ifd-bouwen.

Rechtsongelijkheid

Nog erger is, aldus ir. Engels, dat een zekere mate van rechtsongelijkheid kan ontstaan. Chargerend: “Bij gebouwen die politiek zeer gewenst zijn, zou van rigide toepassing van de normtekst kunnen worden afgeweken, terwijl deze bij andere gebouwen strak wordt aangehouden.”

Engels wijst er vervolgens op, dat de huidige regelgeving op dit gebied nog in de kinderschoenen staat: “Een gebouw mag grote verplaatsingen ondergaan, mits het niet instort. Maar welke verplaatsing acceptabel is, kan op dit moment niet worden gedefinieerd, omdat de ontwerpregels ontbreken.”

Meest schrijnend aan de affaire vindt Engels, dat de veiligheid van gebouwen er niet door toeneemt, maar de bouwkosten er wel door stijgen.

“Veiliger bouwen bereik je niet door het rigide toepassen van voorschriften”, aldus Engels, “maar door voor elk project mogelijke calamiteitsscenario�s (conform eurocode) op te stellen, waarmee je op mogelijke rampen dus al in het ontwerp anticipeert. Vervolgens zal ook tijdens de bouw een bewaking van de ontwerpuitgangspunten moeten plaatshebben om calamiteiten zoals in Maastricht te voorkomen.”

De in veiligheidsdiscussies vaak aangehaalde instorting van de Twin Towers in New York is volgens Engels constructief gezien nu net verkeerd gekozen, zeker in het licht van het Nederlandse risicomijdende gedrag.

“De vier veiligheidsaspecten waarom het in de bouw draait, zijn ontwerp, uitvoering, materiaal en overbelasting. In de praktijk gebeurt een ongeluk als gevolg van fouten bij één of meer van de genoemde aspecten. De Twin Towers bijvoorbeeld zijn ingestort door een bijzonder extreme (belasting)situatie. In het ontwerp was rekening gehouden met veel kleinere vliegtuigen die bewust op de torens zouden invliegen. Paradoxaal genoeg hadden deze torens juist een buitengewoon groot incasseringsvermogen tegen voortschrijdende instorting. Tegen het bij de Twin Towers gebruikte geweld is echter geen enkel gebouw bestand.”

Engels wordt in zijn kritiek bijgevallen door een studiecel van de Stufib. Deze aan de Betonvereniging gelieerde studievereniging onderzoekt, mede op basis van nieuwe Europese regelgeving, de aan de constructieve samenhang van bouwconstructies te stellen eisen. Dit najaar publiceert Stufib de eindresultaten, maar nu al wordt gesteld dat controlerende instanties de huidige – op dit vlak overigens beperkte en onvolledige – regels veel te strikt toepassen.

De Studiecel pleit ervoor om de hoofdconstructeur in ere te herstellen, vanwege de steeds complexere en tegelijkertijd gefragmenteerder uitgevoerde bouwopgaven: “Alleen de hoofdconstructeur kan het totaalontwerp als geen ander overzien en kan voor voldoende samenhang in een bouwconstructie zorgen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels