nieuws

Monumentenzorg is verarming en verloedering voorbij Van kunstgeschiedkundige tot rijksadviseur

bouwbreed

zeist – De directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Fons Asselbergs, gaat met pensioen. Vandaag neemt hij afscheid. Van het redden van monumenten is de nadruk komen te liggen op hoe monumenten kunnen functioneren in de Nederlandse maatschappij.

Asselbergs: “Van verloedering van ons monumentaal erfgoed is nauwelijks sprake meer. Dat is verleden tijd. We zijn op dit moment de verarming en verloedering voorbij. We hoeven niet meer �alles� te redden wat er te redden valt. Wat dat betreft bevinden we ons in veel rustiger vaarwater maar dat betekent niet dat we klaar zijn, want achterstallig onderhoud zal er altijd zijn.”

De oorzaak van de verloedering destijds was toe te schrijven aan maatschappelijke ontwikkelingen. “In de jaren zeventig van de negentiende eeuw kwamen de burgers voor het eerst vanwege de Vestingwet uit 1874 los van de beknelling van de stadswallen. Mensen met geld konden het zich permitteren op of bij de stadswallen te gaan wonen. Leegstand van de oude bebouwing in de historische binnensteden had sloop en nieuwbouw tot gevolg. Als gevolg hiervan ontstond dus voor het eerst ook het besef dat afbraak van monumenten definitief en onomkeerbaar zou zijn. Het was de aanzet voor het ontstaan van een overheidsorganisaties die zich inzette voor het behoud: na een aantal rechtsvoorgangers resulteerde dat in 1947 in de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.”

In de naoorlogse periode werd net zoveel vervangen als in de oorlog verwoest. Aanleiding hiervoor was dat mensen andermaal het gevoel hadden uit de �beknelling� te willen ontsnappen met, naar analogie van de Angelsaksische steden, verruiming van de woonomgeving en modernisering van de stedelijke voorzieningen, de zogenoemde cityvorming. Verwantschap tussen beide periodes is het gebrek aan historisch gebrek met dezelfde gevolgen voor de bestaande gebouwde omgeving in het algemeen en monumenten in het bijzonder.”

Extra budget

Na een dergelijke omwenteling ontstaat van nature behoefte aan extra budget om het behoud zeker te stellen. “Twaalf jaar geleden kondigde de toenmalige minister van Cultuur Hedy d�Ancona op de Nationale Monumentenstudiedag in Dordrecht het Strategisch Plan aan voor de Monumentenzorg. Het functioneerde als een nieuw programma voor een grote inhaaloperatie om het achterstallig onderhoud bij monumenten weg te werken. Destijds gold dat voor circa 40 procent van het monumentaal erfgoed. Inmiddels zitten we op 15 à 20 procent inclusief de �kanjers�. De kanjerprojecten lopen nog tot 2010. Nadien resteert bij voldoende extra budgettering een werkbare voorraad van ongeveer 10 procent waarna het strategisch plan omstreeks 2012 wordt afgerond.”

Op dit moment is de retroarchitectuur zeer populair. Mensen staan in de rij voor een nieuwbouwwoning met jaren dertig uitstraling.

Retrostijlen kunnen een bijdrage leveren aan de ontwerptraditie zoals de katholieke neogotische kerken uit de negentiende eeuw. Asselbergs: “De hang naar vroeger is authentiek en vanuit het standpunt van de volkshuisvesting kan ik me zelfs voorstellen dat iemand graag in een jaren dertig woning wil wonen maar ik denk niet dat een dergelijke woning bijdraagt aan de culturele ontwerptraditie”.

Culturele pretenties zijn daarbij volgens de vertrekkend directeur misleidend. “Pas als de architect een nieuw elan weet te geven aan een nieuwbouwwoning kan sprake zijn van een culturele bijdrage. Het probleem bij retroproducties is dat meestal het innovatieve element totaal ontbreekt.”

Waarom willen mensen dan toch een huis in retrostijl? “In dat verband zie ik dat veel mensen denken dat de architectuur alleen betrekking heeft op de buitenkant of vormgeving maar niets is minder waar. Wij wonen eenvoudigweg niet meer zoals mensen in de jaren dertig woonden. De wooncultuur lijkt in geen enkel opzicht meer op die van zeventig jaar geleden.”

Prof.drs. A.L.L.M. Asselbergs studeerde kunstgeschiedenis aan de KUN van 1963 tot 1971. In 1968 begon hij zijn loopbaan met een architectuurhistorisch archiefonderzoek. Van 1971 tot 1978 was Asselbergs werkzaam voor de Stichting Architectuurmuseum en het Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst. Hierbij richtte hij zich op de vorming van een collectie architectuurarchieven die de grondslag vormde voor de collectie van het NAi in Rotterdam. Van 1978 tot 1993 was hij wethouder van Amersfoort en sinds 1993 directeur van de RDMZ.

Asselbergs is bijzonder hoogleraar werkzaam op de afdeling kunstgeschiedenis van de Radbout Universiteit in Nijmegen. Eerder was hij bijzonder hoogleraar op de Anton van Duinkerken-wisselleerstoel, vanwege de Stichting Nijmeegs Universiteits Fonds (SNUF).

Met ingang van november 2004 bekleedt Asselbergs de functie van rijksadviseur voor Cultureel Erfgoed. Net als de rijksadviseur voor het Landschap, Dirk Sijmons, krijgt Asselbergs een plek binnen het College van Rijksadviseurs dat bij het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu is gehuisvest.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels