nieuws

Einde aan fasering bij afbreken van onderhandelingen?

bouwbreed

In 1982 heeft de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg drie fasen onderscheiden in het afbreken van onderhandelingen. Afhankelijk van de fase waarin de onderhandelingen zich bevonden, kon er al dan niet zonder vergoeding van kosten en soms ook gederfde winst, afscheid worden genomen van de onderhandelingspartner. Die fasering lijkt nu door de Hoge Raad verlaten in een recent arrest.

De goede trouw stelt grenzen aan het af kunnen breken van de onderhandelingen (artikel 6: 217 e.v. BW). Een drietal fasen valt in het arrest Plas/Valburg te onderscheiden:

fase 1: de onderhandelingen zijn vrij af te breken;

fase 2: de onderhandelingen zijn niet vrij af te breken zonder vergoeding van gemaakte kosten;

fase 3: de onderhandelingen zijn in een zodanig ver stadium dat de redelijkheid en billijkheid gebiedt de onderhandelingen voort te zetten.

In deze fase hebben de onderhandelingen nog geen concreet uitzicht gegeven op enigerlei overeenstemming tussen partijen.

Hier worden de onderhandelingen tussen partijen, die al waren gevorderd, gestopt.

In deze fase komen mogelijk ook voorbereidingskosten voor vergoeding in aanmerking. Dit is nog wel een punt van discussie; er is immers nog geen overeenkomst. Wel zou men kunnen kijken naar het voordeelprincipe; na de aanbieding heeft de opdrachtgever inzicht in de markt verkregen, waar hij voordeel van kan hebben.

Vergoeding van voorbereidingskosten is dan een redelijke tegenprestatie. Indien de onderhandelingen worden gestopt, is er mogelijk recht op vergoeding van het negatief contractsbelang (kosten). De annulering moet dan onrechtmatig zijn tegenover de ander (bijvoorbeeld indien de opdrachtgever uit eigen schuld moet afhaken vanwege financiële redenen die men had kunnen voorzien).

Criterium; het afbreken van onderhandelingen staat niet meer vrij als dat op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is.

Dit betekent dat men het contractstadium (bijna) heeft bereikt (gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij) en dat het dan afbreken van de onderhandelingen, mede gelet op de gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij (bijzondere omstandigheden), niet aanvaardbaar is. Onder omstandigheden kan het afbreken dus wel, ondanks het feit dat er uitzicht bestond op contracteren.

Op 12 augustus 2005 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (HR 12 augustus 2005, C04/163HR, CBB/JPO) waarin de hierboven genoemde drie fasen niet zijn terug te vinden. De Hoge Raad overweegt dat ieder van de partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op basis van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Vervolgens noemt de Hoge Raad een aantal omstandigheden die daarbij van belang kunnen zijn.

Het arrest geeft, op het eerste gezicht, een zeer scherp onderscheid. Je valt in de ene fase (geen gevolgen) of in de andere (aansprakelijk voor schade). Het lijkt meer zwart-wit en dus minder genuanceerd dan de oude leer. De praktijk zal moeten uitwijzen of de rechter, alle omstandigheden meewegend, hiermee tot een redelijk resultaat weet te komen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels