nieuws

Het fnuikende gevolg van functiescheiding

bouwbreed Premium

capelle aan den ijssel – Het moderne winkelcentrum van Capelle aan den IJssel met zijn overdekte passages, waar Cobouw de stedenbouwkundige René Daniëls ontmoet, staat ver af van zijn ideaal. Een getto van winkels en wat horeca, verder niets. Aanhoudende regen maakt het nog troostelozer.

De filosofie van functiescheiding waarvan dit treurige voorbeeld een resultaat is, is in Nederland op grote schaal in praktijk gebracht. Vooral in de naoorlogse nieuwbouw, die steden heeft opgeleverd als Zoetermeer, Purmerend, Almere en, inderdaad ook, Capelle aan den IJssel.

In Nederland, zo stelt Daniëls, kreeg de – aan het Nieuwe Bouwen ontleende internationaal school makende – functiescheidingsgedachte nog een venijnig zusje in de vorm van wat hij noemt de volkshuisvestingsideologie. “Die kwam daar nog eens overheen. Er zijn doelgroepen geselecteerd en die zijn allemaal in onze stedelijke structuur terug te vinden: inkomensgroepen, ouderen, jongeren, winkels, bedrijven; alles heeft een eigen plek.”

De reactie hierop waar het land nu volgens hem naar hunkert, is het opnieuw mengen van functies. Voor de herstructurering van probleemwijken is dat het officiële medicijn maar het moet wat hem betreft het motto zijn van de hele Nederlandse stads- en dorpsontwikkeling. En zover is het nog niet. “De bedrijfsgebouwen die je nu overal langs de snelweg ziet, zijn een laatste stuiptrekking van die scheidingsideologie.”

Die heeft op Antwerpen nooit greep gekregen. “Er hangt daar een rommelige sfeer; alles zit door elkaar. Dat maakt de stad aantrekkelijk.” Maar dit prettige beeld wordt wel ondermijnd door de talrijke bouwprojecten, vooral hoogbouw, die Daniëls betitelt als “zonder respect voor de omgeving”.

Als stadsbouwmeester is de steddenbouwkundige betrokken geweest bij het van de grond tillen van “de eerste welstandscommissie van België” om daaraan iets te doen. De commissie heeft zich onder meer gebogen over het probleem van de lelijke wachtgevels van flatgebouwen die zijn gebouwd in de veronderstelling dat er ooit wel een even hoog gebouw naast zou komen. Resultaat is volgens hem dat er nu meer wordt gekeken naar de inpassing in het grotere geheel.

De stedelijke context waarin bouwwerken moeten plaatsvinden, vormt de rode draad in zijn werk. De aanpak van de Rotterdamse Kop van Zuid, waarvoor hij van 1988 tot en met 1991 projectleider was, staat hiervoor model. Dat geldt voor de Kop van Zuid zelf maar ook voor de ruimere omgeving. “De plannen werden gekoppeld aan de aanpak van nabijgelegen wijken zoals de Afrikaanderwijk, Katendrecht en Feijenoord.”

Zijn Rotterdamse avontuur vormde de opmaat voor zijn gang naar Antwerpen, waar ook een binnenstedelijk havengebied lag te wachten op herontwikkeling. Dat was �t Eilandje, waarvoor hij in 1998 werd gevraagd als projectleider. Een jaar later besloot de gemeente hem tevens te benoemen tot stadsbouwmeester.

Terugblikkend wijst hij ook op zijn lange ervaring met Maastricht, waar hij vanaf 1973 vijftien jaar werkte als gemeentelijk stedenbouwkundige. “Dat was een verpauperde, failliete stad met veel werkloosheid, die in die periode weer op poten is gezet. In 1987 heb ik daar Riek Bakker leren kennen, die me heeft gevraagd voor de Kop van Zuid.” Maastricht heeft volgens hem al iets wat de Belgen vertrouwd is: “Het is de meest gemengde stad van Nederland.

�t Eilandje, oud havengebied van 180 hectare dat moest worden herontwikkeld met behoud van een aantal karakteristieke elementen, bleek een kolfje naar zijn hand. Het Antwerpse avontuur kreeg een jaar na zijn komst een forse impuls doordat hij ook werd benoemd tot stadsbouwmeester.

Als het om de belangrijke globale planvorming gaat, zitten de Vlaamse overheden tegenwoordig niet stil, heeft Daniëls mogen ervaren. Gemeenten mogen er anders dan in Nederland bijvoorbeeld niet langer werken met verouderde bestemmingsplannen. Die zijn ongeldig verklaard en moeten een opvolger krijgen in de vorm van een Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP). Voorafgaand aan deze juridische planvorm wordt al geëist, dat er een goedgekeurd stuctuurplan ligt voor de hele gemeente. Dat is iets waar men in Nederland nog niet aan is toegekomen. De GRUP vormt de lokale uitwerking van de provinciale versie (PRUP) en er is er ook nog een op Vlaams niveau.

“Als dit over vijf of tien jaar allemaal rond is, heeft men in de ruimtelijke planning een voorsprong bereikt op Nederland. Want daar is nog minstens de helft van de bestemmingsplannen verouderd en zijn de plannen niet flexibel genoeg omdat ze te gedetailleerd zijn. Dat laatste betekent een hoop rompslomp wanneer je iets wil dat niet in zo�n plan staat.”

Bij de zorg voor aantrekkelijke steden ziet hij een belangrijke taak voor architecten, die daarvoor in zijn ogen wel flink moeten oefenen in bescheidenheid: “Een architect moet zijn plaats weten: dat betekent dienstbaar zijn, niet alleen de kunstenaar uithangen maar rekening houden met de omgeving, de context waarin een gebouw zich bevindt. De meesten doen dat, maar sommigen heel nadrukkelijk niet. Maling aan de context, lijkt hun motto. Dat mag soms. Maar alleen een enkele keer, op hele speciale plekken, voor iets moois.”

Hij vergelijkt het bouwen aan een stad met een muziekstuk. De architecten vormen het orkest. “Zij verzorgen met hun verschillende instrumenten een eigen inbreng. Maar de orkestleider geeft de maat aan, zodat een samenhangend stuk ontstaat.”

�Architecten moeten oefenen in bescheidenheid�

Stadbouwmeester

Reageer op dit artikel