nieuws

Rechtsbescherming in kort geding?

bouwbreed Premium

De rechtsbescherming van inschrijvers tegenover de Europese organen wijkt af van die op basis van de Europese aanbestedingsrichtlijnen. Dat bleek weer eens uit een kort geding voor het Gerecht van Eerste Aanleg EG.

In deze zaak gaat het om een aanbesteding van de Europese Commissie van een raamcontract voor diensten. De Commissie heeft de klagende partij uitgesloten omdat een groot risico op een belangenconflict zou bestaan. Het uitgesloten consortium heeft daarop een beroep tot nietigverklaring van deze beslissing ingediend bij het Gerecht van Eerste Aanleg EG. Omdat hij tevens wilde voorkomen dat de Commissie tussentijds haar gunningsbeslissing aan de winnaar zou kenbaar maken, heeft hij daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de President van het Gerecht.

Dit verzoek betrof met name opschorting van de gunning. Om een dergelijke opschorting te verkrijgen moet het verzoek spoedeisendheid zijn en de argumenten bevatten op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een voorlopige maatregel gerechtvaardigd is. De president toetst in deze zaak de spoedeisendheid aan de vraag of de voorlopige voorziening noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de zijde van het consortium. Het argument dat haar reputatie wordt aangetast, veegt de president van tafel. Deelneming aan een openbare aanbesteding die naar haar aard een sterk mededingingskarakter heeft, houdt voor alle inschrijvers risico�s in en de uitsluiting op zich veroorzaakt geen schade.

Verder stelt het consortium dat zij zonder voorlopige voorziening de opdracht zelf niet meer kan verkrijgen. De president stelt vast dat het consortium in beginsel – afgezien van het door de Commissie vastgesteld risico van een belangenconflict – een kans had gehad om de betrokken opdracht binnen te halen. Door haar uitsluiting heeft zij die kans verloren.

De president onderzoekt daarop of dit verlies ernstige en onherstelbare schade oplevert. Dat is het geval, omdat ten tijde van een bodemuitspraak tenminste een deel van de opdracht zal zijn uitgevoerd. De president vindt het evenwel ondoenlijk de kans van het consortium op de opdracht en daarmee, bij verlies van die kans, de schade te becijferen.

Daarom beschouwt hij de schade als onherstelbaar. Maar die schade is volgens hem niet ernstig genoeg. Bij de beoordeling van de ernst van de schade dient namelijk rekening te worden gehouden met de omvang van de onderneming. Het consortium behaalde in het jaar voorafgaande aan de opdracht een omzet die zeker 25 maal groter was dan de waarde van de opdracht voor het eerste jaar. Het voortbestaan van de betrokken onderneming werd dan ook niet bedreigd. Daarom wordt het verlies van de kans op uitvoering van het raamcontract onvoldoende ernstig geacht om een voorlopige voorziening in de vorm van een opschorting van de gunningsbeslissing te rechtvaardigen.

Ook een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, omdat de uit te voeren diensten van groot algemeen belang worden geacht en daarnaast ook rekening moet worden gehouden met de belangen van de inschrijver aan wie de opdracht is gegund.

Deze zaak toont weer eens aan dat de rechtsbescherming van inschrijvers tegenover de Europese organen afwijkt van die op basis van de Europese aanbestedingsrichtlijnen. Dat komt onder meer omdat bij aanbestedingen van die organen de Rechtsbeschermingsrichtlijn niet van toepassing is. Het is nuttig kennis te nemen van de inhoud van de uitspraken van het Gerecht op dit gebied. Die uitspraken zijn echter niet altijd één op één bruikbaar bij de beoordeling van problemen bij aanbestedingen van �gewone� aanbestedende diensten.

Reageer op dit artikel