nieuws

Meerwerk is vaak bron van geschillen

bouwbreed Premium

Meerwerk is een regelmatige bron van geschillen tussen opdrachtgever en aannemer. Meerwerk opdrachten worden lang niet altijd schriftelijk gegeven of worden na verlening niet voldoende geadministreerd. Het mag in dat soort situaties niet zo zijn dat de aannemer de dupe wordt van een opdrachtgever, die van het ontbreken van een schriftelijke opdracht gebruik maakt om aan zijn betalingsverplichting te ontkomen.

Omgekeerd mag de opdrachtgever niet de dupe worden van een aannemer die van de praktijk van het ontbreken van een schriftelijke opdracht gebruik maakt en die maar beweert dat er wel echt een opdracht was, maar dat niemand er aan dacht deze schriftelijk vast te leggen. Over deze kwestie ging de hier te bespreken uitspraak van de Raad van Arbitrage van 1 september 2005, nr 26.495.

Opdrachtgever verzet zich tegen de betaling om voor verricht meerwerk te betalen: hij wist helemaal niet dat dit was uitgevoerd en afgesproken was dat opdrachten alleen schriftelijk door de opdrachtgever zouden worden opgedragen. Van toepassing was de UAV 1989. Beide verweren worden door arbiter van de hand gewezen.

Op het werk is ten behoeve van opdrachtgever toezicht gehouden door D. D was regelmatig op de bouwplaats aanwezig. Verder heeft aannemer verwezen naar revisietekeningen betreffende een aantal posten en daar heeft opdrachtgever �evenmin iets zinnigs� tegen naar voren gebracht. Arbiter vindt het verweer van opdrachtgever op dit punt dan ook te weinig inhoudelijk en is van mening dat D zich wel op de hoogte had gesteld dan wel had dienen te stellen van de aard en de omvang van de door aannemer uitgevoerde werkzaamheden. Dat er dus mogelijk geen meerwerk was uitgevoerd, wijst arbiter af.

De UAV 1989 zeggen in par. 36 lid 5 dat bestekswijziging schriftelijk worden opgedragen. Maar: als er geen schriftelijke opdracht is, laat dat de aanspraken van de aannemer op verrekening onverlet. Als er geen schriftelijke opdracht is, zal de aannemer uiteraard wel op een andere manier dienen te bewijzen dat hij niet zomaar de bestekswijziging uitvoerde. In het ons geval ontbrak die schriftelijke opdracht. Wat vond arbiter van de stelling van de opdrachtgever dat deze dus niet hoefde te betalen voor het werk?

Arbiter is van dat verweer niet gecharmeerd. Het enkele verweer, zo oordeelt hij, dat er geen schriftelijke opdracht is verleend, is onvoldoende betwisting van de stelling van de aannemer dat deze recht op betaling heeft. Een opdrachtgever die met dat verweer komt, moet ook maar gelijk aangeven wat zijn belang is bij een schriftelijke opdracht. Laat de opdrachtgever na dat te vermelden dan komt hij niet ver met dit verzet.

Maar arbiter overweegt nog meer. Het ging in dit werk om een grote tijdsdruk. Het ging ook om een opdrachtgever die niet of zeer traag reageerde op mededelingen van de aannemer dat bijkomend werk uitgevoerd zou worden. Een opdrachtgever moet met de gerechtvaardigde belangen van zijn wederpartij, de aannemer, rekening houden.

De opdrachtgever in dit geval die op de hoogte was van het meerwerk dan wel op de hoogte had moeten zijn van het meerwerk, had dan ook de aannemer duidelijkheid moeten verschaffen omtrent de wenselijkheid van het meerwerk.

Dat de opdrachtgever de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij ook tijdens de uitvoering in de gaten moet houden en zich ook moet aantrekken, volgt uit het gewone verbintenissenrecht. In artikel 2 van boek 6 BW staat namelijk dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dat een opdrachtgever dan ook niet zomaar weg kan komen met de stelling dat het enkele ontbreken van een schriftelijke opdracht voldoende is om niet te betalen voor meerwerk, is dan ook een oordeel dat past in de wettelijke regelgeving. Ook de wettelijke regeling van het meerwerk bij aanneming van werk, art. 7:755 BW, gaat uit van dat idee. Een aannemer heeft recht op meerwerkbetaling als hij de opdrachtgever heeft gewezen op de noodzaak van de prijsverhoging als gevolg van het meerwerk tenzij de opdrachtgever had moeten begrijpen dat het dit het gevolg zou zijn.

Gaat de uitspraak, zoals die geformuleerd is, niet te ver? Nee: arbiter zegt namelijk niet dat de gerechtvaardigde belangen van aannemer meebrengen dat de opdrachtgever op de hoogte moet zijn van meerwerk. De uitspraak is niet in die algemene termen geformuleerd, maar toegespitst op deze opdrachtgever die toezicht liet voeren, welk toezicht er ook daadwerkelijk was.

Tot slot spreekt arbiter ook nog uit de betalingstermijn van par. 40 lid 6 UAV 1989 een fatale termijn in de zin de wet is. Dat wil zeggen dat als niet binnen vier weken na indiening van de declaratie betaald is, de opdrachtgever in verzuim is en (wettelijke) rente verschuldigd is.

Reageer op dit artikel