nieuws

Van oneerlijke storttarieven of concurrentie is geen sprake

bouwbreed Premium

In het artikel Pleidooi voor eerlijke tarieven stort baggerspecie in Cobouw van 1 september 2005 (nummer 161) wordt gesteld dat het kabinet met baggerspecie op een verkeerd spoor zit. De overheid wordt verweten oneerlijke concurrentie te bedrijven met de markt door storttarieven en regelgeving naar haar hand te zetten om de baggerspecie maar vooral goedkoop kwijt te kunnen. In een reactie hierop plaatst staatssecretaris Schultz van Haegen het kabinetsbeleid in een breed perspectief.

Baggerspecie komt vrij bij waterbeheermaatregelen. Een adequaat waterbeheer dient de doelstellingen en opgaven voor waterkwaliteit, waterkwantiteit, scheepvaart en hoogwaterbescherming te ondersteunen. Het ingrijpen in de waterbodems (baggeren) is een maatregel die daar in belangrijke mate aan bijdraagt.

Het waterbeheer wordt uitgevoerd door overheden (Rijkswaterstaat, waterschappen, provincies en gemeenten) en is daarmee een publieke taak die wordt gefinancierd met belastinggeld. Vanuit dat oogpunt is mijns inziens vreemd dat de overheden wordt verweten dat ze dit zo kosteneffectief mogelijk willen doen. Het raakt immers de belastingbetaler direct in zijn of haar portemonnee. Dat het hierbij niet om kleine bedragen gaat mag blijken uit de omvangrijke opgaven waar we in het waterbeheer voor staan. Voor de uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water is bijvoorbeeld ruim 8 miljard euro benodigd.

Eén van die opgaven heeft betrekking op het baggeren in Nederland. Enkele decennia lang wordt er al veel minder gebaggerd dan er aan sediment bijkomt in onze wateren. Hierdoor is een flinke achterstand ontstaan.

Voor het bereiken van de doelstellingen voor onze watersystemen moet het baggertempo aanzienlijk worden verhoogd. Op 8 juli heeft het kabinet daarvoor het kabinetsbesluit waterbodems vastgesteld.

Het verhogen van het baggertempo krijgt daarin de hoogste prioriteit. Hiertoe kondigt het kabinet een aantal concrete maatregelen aan die het baggeren van waterbodems goedkoper moeten maken. Ingezet wordt op deregulering, meer kosteneffectieve bestemmingen, betere samenwerking en innovatie. Voor de korte termijn geeft het kabinet een extra impuls aan het wegwerken van de baggerachterstanden in het bebouwd gebied door het herprioriteren van de beschikbare financiële middelen. Hiertoe worden de nauwelijks benutte subsidiegelden voor verwerking voor gebruikt.

Het Centrum voor immobilisatie (CIM) heeft hierop teleurgesteld gereageerd in Cobouw van 1 september 2005.

Het CIM stelt dat er sprake is van oneerlijke concurrentie en beschermingsconstructies waardoor marktpartijen kansloos zijn nieuwe verwerkingstechnieken aan de man te brengen. De discussie daarover is eind vorige eeuw ook gevoerd en lijkt zich nu weer te herhalen. Om marktpartijen te helpen hun technieken aan de man te brengen is destijds tezamen met het bedrijfsleven de stimuleringsregeling verwerking baggerspecie in het leven geroepen. Daarmee hebben marktpartijen in de afgelopen 3 jaar alle gelegenheid en mogelijkheden gehad om hun woorden om te zetten in daden. Zoals eerder gesteld is hier weinig van gerealiseerd. Daarbij is ook van belang dat op basis van voortschrijdend inzicht het beeld is versterkt dat verwerken niet per definitie een meer duurzame oplossing is dan het storten van baggerspecie.

De kabinetskeuze voor kosteneffectievere bestemmingen gaat niet ten koste van de duurzaamheid en milieuregels. Een en ander wil niet zeggen dat verwerken passé is, het is echter niet langer een doel op zich maar een middel – dat mits kosteneffectief – ingezet kan worden om meer bestemmingen voor baggerspecie te realiseren. Dat levert tevens een extra impuls op voor innovatie, denk aan oplossingen als baggerterpen etcetera. Ook voor het aspect van oneerlijke concurrentie en beschermingsconstructies zie ik geen grond. Enerzijds omdat de markt veel groter is dan het aanbod dat de rijksdepots kunnen verwerken en mogen ontvangen.

Anderzijds heeft de Nederlandse mededingingsautoriteit (Nma) zich hierover in 2001 reeds uitgesproken naar aanleiding van een klacht van een baggerverwerker over vermeend misbruik van de economische machtspositie door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De Nma heeft daarbij ook de door de rijksdepots gehanteerde storttarieven beschouwd. De klacht is op inhoudelijke gronden afgewezen.

Van oneerlijke storttarieven of concurrentie is dan ook geen sprake. Ik vertrouw erop dat ik hiermee het bredere perspectief van het kabinetsbeleid duidelijk heb kunnen maken.

Drs. M.H. Schultz van Haegen,

Staatssecretaris van Verkeer en

Waterstaat, Den Haag

Kabinetskeuze gaat

niet ten koste van duurzaamheid

Reageer op dit artikel