nieuws

Liefde voor het vak essentieel bij stadswerk

bouwbreed Premium

leusden – Gebrek aan betrokkenheid en aandacht leidt tot vervagend vakmanschap. Adviseur Cees Oosterwijk windt er geen doekjes om. “Het is beslist geen aanklacht, maar een pleidooi voor beter. Er mist echte liefde voor het vak.”

Oosterwijk is als partner verbonden aan de BMC Groep, een organisatie die advies-, managementdiensten en specialisten levert aan instellingen in de publieke sector. Verantwoordelijk voor de divisie Ruimte, houdt hij kwartier vanuit een dependance in Leusden. Oosterwijk is ook dagvoorzitter tijdens het Jaarcongres van de vereniging Stadswerk, columnist bij het gelijknamige magazine en publicist. Het vervagen van vakmanschap gaat hem aan het hart en is in zijn columns de rode draad.

“Wat je aan het hart gaat, heb je lief”, zegt Oosterwijk. “Liefde voor het vak en vakmanschap zijn wezenlijk met elkaar verbonden en staat haaks op het anonimiseren van openbaar bestuur.” Oosterwijk doelt op de trend binnen gemeentelijke organisaties, waar het accent niet meer op inhoudelijke vakkennis ligt, maar op het generalistische managen.

Was vroeger de leidinggevende van oorsprong een vakspecialist die managen �erbij� deed, tegenwoordig zijn nauwelijks nog vakspecialisten te vinden onder de leidinggevenden. “Afdelingen openbare ruimte en groenvoorzieningen worden geleid door professionele, breed georiënteerde managers. Als gevolg daarvan is vakkennis nu veelal verspreid over de werkvloer of wordt zelfs geheel ingekocht, het �outsourcen� van producten en diensten. Zie daar hoe vakmanschap vervaagt.”

Kortcyclisch

Volgens Oosterwijk vindt het vervagen van vakmanschap zijn oorsprong in de jaren zeventig en tachtig. “Toen begon de overheid te worstelen met de vraag over haar rol of kerntaak. Het antwoord, efficiënt en maatschappelijk verantwoord beheren van openbare ruimte en publieke voorzieningen, ligt voor de hand, maar dat gebeurt niet optimaal. Een gemeentebestuur neigt nu eenmaal tot kortcyclisch handelen ten gunste van de kiezers.”

Oosterwijk neemt als voorbeeld een sportterrein. “Voetbalvelden zien er meestal gelikt uit, omdat een gemeente daarmee kan scoren”, stelt hij. “Maar die sportvelden zijn er alleen voor sporters! Maar het bestuur laat een kinderspeelplaats in een wijk verloederen, of stelt onvoldoende budget beschikbaar voor onderhoud van het openbaar groen. Terwijl die speelplaats en dat openbaar groen voor ons allemaal is! Daaruit blijkt dat ook besturen een verdraaid moeilijk vák is.”

Directe oorzaken van het vervagen van vakmanschap zijn volgens Oosterwijk de veranderde houding van gebruikers, het minder in staat zijn om vakmanschap te beoordelen en, niet in de laatste plaats, eenzijdige bezuinigingen door de rijksoverheid.

“Ook wordt binnen gemeentelijke organisaties vakkennis en de beoordeling van vakmanschap minder gewaardeerd. Vanuit het generalistische managen moet alles controleerbaar zijn. Daardoor wordt alles becijferd en krijgt eigen kennis en kunde geen aandacht meer. Deze controlecultuur creëert afstandelijkheid in plaats van betrokkenheid, waarin niemand zich meer verantwoordelijk voelt. Daarmee verdwijnt de liefde voor het vak.”

Gebrek aan visie bij lokale besturen draagt indirect bij aan het probleem, stelt Oosterwijk. “Dat slaat over op het management en de werkvloer. Neem de bouw van een schouwburg in een middelgrote plaats. Het gemeentebestuur bepaalt niet zelf wat mooi is, maar trekt een architect aan uit een ander deel van het land. Vervolgens komt er een bijzonder, maar tevens controversieel ontwerp; er is geen �feeling� met de lokale situatie. Maar het zijn wel de burgers die gebruik van maken zo�n theater”.

“Wil een gemeentelijke organisatie haar werk goed doen, dan moet zij zelf in staat zijn de prijs/kwaliteitverhouding van het door derden geleverde werk te beoordelen en kunnen bepalen of het gemeenschapsgeld effectief wordt ingezet.”

Ondanks de druk die door het vervagen van vakmanschap op gemeentelijke organisaties is komen te liggen, is er volgens Oosterwijk niet een nieuw soort overheid opgestaan.

“Een gemiste kans”, vindt hij. “Men worstelt er al heel lang mee. Tot op heden is geen gezamenlijke visie ontwikkeld op kernvragen als: waar moet ik voor zorgen, wat doe ik zelf en wat besteed ik uit? En als het om uitbesteden van kennis en kunde gaat: ben ik in dan staat de kwaliteit zelf te beoordelen of moet ik die ontwikkelen?”

Oosterwijk meent dat een antwoord hierop essentieel is voor een ommekeer in de vervaging van het vakmanschap. “Vergeet niet dat de overheid tevens werkgever is. Je hebt dan niet alleen voor regels en goed bestuur te zorgen, maar ook voor arbeidssatisfactie. Stimuleer betrokkenheid en geef de juiste aandacht. Dan komt het vakmanschap vanzelf terug.”

�Gebrek aan visie draagt indirect bij aan probleem�

Reageer op dit artikel