nieuws

Natuurbescherming bij ontwikkelingen vaak onderbelicht

bouwbreed Premium

In de afgelopen maanden is veel aandacht geweest voor de gevolgen van het Besluit Luchtkwaliteit op ruimtelijke ontwikkelingen. Begin dit jaar verwees de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op grond van dit Besluit grote ruimtelijke projecten zoals de Tweede Maasvlakte en IJburg naar de prullenbak. Milieu- en natuurbeschermingsaspecten spelen in toenemende mate een belangrijke rol in het ruimtelijk ordeningsrecht. De jurisprudentie biedt de overheid, ten aanzien van natuurbescherming, handvatten om kostbare vertragingen van ruimtelijke projecten in de toekomst te voorkomen. Maarten van Luijn geeft een overzicht van de ontwikkelingen in drie delen.

De Europese wetgever heeft zich in een relatief vroeg stadium de bescherming van de natuurlijke waarden in Europa aangetrokken. Met het oog op de bescherming hiervan is door de Raad van de Europese Gemeenschappen onder meer op 21 mei 1992 de �Richtlijn inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna�, ook wel de Habitatrichtlijn, vastgesteld. Het is deze Habitatrichtlijn die de overheid parten speelt in de jurisprudentie van de Afdeling terzake van ruimtelijke projecten.

Aanwijzingsbesluit

De Habitatrichtlijn kent twee beschermingsregimes: de �soortenbescherming� en de �habitatbescherming�. Bij de soortenbescherming, die is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet, staat de bescherming van zeldzame flora en fauna voorop, terwijl het bij de habitatbescherming om de algehele bescherming gaat van bepaalde habitats (leefgebieden). Door het Rijk is hieraan inmiddels uitvoering gegeven in een aanwijzingsbesluit, waarbij bepaalde natuurgebieden zijn aangewezen als speciale beschermingszones, waarop de Habitatrichtlijn van toepassing is.

Aanvankelijk is vooral de �soortenbescherming� door natuurbeschermingsorganisaties aangegrepen om hun niet welgevallige ruimtelijke projecten te dwarsbomen. Een van de eerste in het oog springende zaken, die zich mocht verheugen in overweldigende aandacht van de media, speelde in 2001. Met een beroep op de Natuurbeschermingswet en de Habitatrichtlijn wisten natuurbeschermingsorganisaties zich met succes te verzetten tegen de komst van een bedrijventerrein nabij Heerlen vanwege de aanwezige korenwolf.

Waar ging het ook weer om in deze zaak? Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verleende aan de gemeente Heerlen op grond van artikel 25 van de Natuurbeschermingswet een ontheffing voor de gebieden waarop twee bestemmingsplannen betrekking hebben. Een dergelijke ontheffing kan op grond van de Natuurbeschermingswet slechts worden verleend indien een dwingende reden van groot openbaar belang zulks vereist, op voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Deze tekst van de Natuurbeschermingswet was letterlijk overgenomen uit de Habitatrichtlijn en ten aanzien van het begrip �gunstige staat van instandhouding� werd de wettekst ook uitgelegd in het licht van de bewoordingen van de Habitatrichtlijn.

De belangrijkste conclusie die mijns inziens valt af te leiden uit de uitspraak van de Afdeling is dat het natuurbelang een eigen en specifieke toetsing behoeft waar het ruimtelijke trajecten betreft. Zo werd het rapport dat door een onderzoeksbureau was opgesteld onvoldoende geacht om te kunnen beoordelen of er een andere bevredigende oplossing bestond. Het rapport had wel zes alternatieve lokaties onderzocht, maar uit het rapport kon niet worden opgemaakt dat de gekozen lokatie voor het bedrijventerrein nu juist vanuit het standpunt van natuurbescherming beter was dan de zes andere onderzochte lokaties.

Evenmin oordeelde de Afdeling het standpunt van het ministerie van LNV juist, dat nu toch door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg was geoordeeld dat de aanleg van het bedrijventerrein op de betreffende lokatie noodzakelijk was, omdat er geen andere bevredigende oplossing bestond. Volgens de Afdeling was die “noodzaak” ingegeven met het doel tot een goede ruimtelijke onderbouwing te komen. Deze overweging was dus niet op een lijn te stellen met een beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet.

De overheid dient, zo blijkt uit deze uitspraak en vergelijkbare uitspraken over beschermde diersoorten zoals de woelmuis, de kamsalamander en de zeggekorfslak, bij ruimtelijke trajecten altijd expliciet aandacht te schenken of onderzoek te doen naar aspecten over natuurbescherming. De korenwolfzaak is overigens aanleiding geweest voor de overheid om steeds nadrukkelijker de input van natuurbeschermingsorganisaties te vragen bij de voorbereiding van ruimtelijke trajecten, die gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke waarden.

Zowel bij de plannen voor de tweede fase van de nieuwe Amsterdamse waterwijk IJburg als bij de planologische kernbeslissing van het kabinet omtrent de Tweede Maasvlakte hebben natuurbeschermingsorganisaties intensief meegedacht. Toch gingen eind 2004 en begin 2005 ook deze beide besluiten bij de Afdeling onderuit. In mijn volgende bijdrage ga ik nader in op deze twee uitspraken.

Europese wetgever trekt zich bescherming van natuurlijke waarden aan

Reageer op dit artikel